>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek
HomeActiviteitenActiviteiten 2008Lezing De Zee van Toen - zondag 1 juni 2008

activiteiten_2008lezingzeevantoenIn opdracht van de provincie West-Vlaanderen heeft Guido Rappé het afgelopen jaar een aantal Vlaamse vissers geïnterviewd, van Heist tot Oostduinkerke. De bedoeling van de gesprekken was om te vissen in het geheugen van de vissers op rust. Zij zijn de experts op zee. De wereld verandert, o.a. door het klimaat. Hebben de vissers in de loop der jaren ook veranderingen gezien in zee?

De Zee van Toen is een project op het raakvlak van geschiedenis en ecologie, verteld door onze eigen vissers. Een verhaal over blauwers, pietermans, staart, rommel, haring en sprot, blaars en haar, zieke tong, pijnlijk plassen en nog veel meer.

Guido Rappé is afkomstig van een gekende vissersfamilie van Heist en heeft o.a. school gelopen in de Gemeenteschool (één van vele functies van de gebouwen van Sincfala). Is het de vis van vaders vangst en moeders keuken waarmee hij is (op)gevoed of is het zijn jeugd aan het strand en in de duinen, in elk geval heeft hij al heel lang een bijzondere belangstelling voor de fauna en flora van zee en kust. In 1976 was hij medeoprichter van een strandwerkgroep in de schoot van wat toen de Belgische Jeugdbond voor Natuurstudie heette, werkgroep die vanaf 1981 als zelfstandige vereniging tot op heden aktief is.

En hoewel hij zelf geen visser is geworden, is hij dikwijls het zeegat uit als hij de kans schoon ziet, om walvissen te tellen bijvoorbeeld.

Verslag

Guido Rappé stelde eerst het project “De Zee van Toen” voor, waarvan hij de coördinator en uitvoerder is. Het is een project van de Provincie West-Vlaanderen, dat wordt uitgevoerd in samenwerking met het Vlaams Instituut voor de Zee, met steun van het EU-programma Doelstelling 2-Kustvisserijgebied. Het wil een aanzet geven tot de studie van de ecologische geschiedenis van de zuidelijke Noordzee in de periode 1930 - 1980.

De kennis betreffende het zeewetenschappelijk onderzoek bevat nog heel wat hiaten. Zeewetenschappelijk onderzoek startte rond 1900. Het werd echter sterk gehinderd door de Eerste Wereldoorlog, de crisis van 1930 en de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1970 werd het onderzoek hernomen en circa 1984 vond het een breder draagvlak (o.a. de indienstneming van het onderzoeksschip Belgica).

De doelstelling van het huidige project is om ecologisch relevante gegevens te “redden” uit het geheugen van experts. Interviews van beroepsvissers op rust, die een grote zeekennis hebben, werden afgenomen en bewaard (gelijkmatig gespreid over de Vlaamse kust). Er werden vooraf opgestelde vragenlijsten gebruikt, maar er werden ook halfopen vragen gesteld. Een belangrijk hulpmiddel was het monsterboekje van de vissers: dit bevat niet alleen de identificatie van de betrokken visser, maar ook zijn ganse loopbaan op zee.

Het doelgebied dat men wil onderzoeken is de zuidelijke Noordzee en een deel van het Kanaal. Men wil informatie verzamelen over het voorkomen van commerciële en niet-commerciële vissoorten en andere grote zeedieren, zoals zeezoogdieren, zeeschildpadden en zeevogels, om zo informatie over de historische situatie te verkrijgen. Ook gegevens over andere zeefauna en -flora, hinder bij het vissen en natuuromstandigheden werden opgetekend.

In totaal werden er 68 gesprekken met 34 vissers opgenomen: 7 van Heist, 2 van Zeebrugge, 4 van Blankenberge, 11 van Oostende, 1 van Lombardsijde, 6 van Nieuwpoort en 3 van Oostduinkerke. De leeftijden waren grotendeels 70-plus.

Vervolgens gaf de spreker voorbeelden van de resultaten van het project: het voorkomen van een aantal courante en niet courante commerciële vissoorten, alsook van schaaldieren en zeezoogdieren in het midden van de vorige eeuw. De resultaten zullen later gepubliceerd worden in een boek.

De vangst van haring was goed in de jaren '30: tot 40.000 kg in één sleep. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kende men de wonderjaren 1942 – 1945. De haringvangst bleef goed tot 1956, maar ging dan snel achteruit. De visserij op haring werd gesloten tussen 1977 en 1983. Sprot werd vooral gevangen aan onze Westkust. De vangst ging goed tot 1965 maar doofde uit begin de jaren zeventig. Hiermee gepaard verdween ook het economische “ecosysteem” van de rokerijen in West-Vlaanderen. Ironisch is wel dat in 2007 sprot erkend werd als een West-Vlaams streekproduct. De vangst op kabeljauw is vooral typisch voor de IJslandvaart (vanuit Oostende). Er waren goede vangsten gedurende enkele decennia vanaf halfweg de jaren ‘60 tot ongeveer 1995. Bij ons werd er dicht bij de kust op kabeljauw gevist. De beste periode was van oktober tot maart, april, soms tot in mei. In die periode visten er continue 40 vaartuigen van de Oostkust tot Oostende op kabeljauw. Er werd soms ook wijting mee gevangen.

Er zijn ook archeologische aanwijzingen dat er in de middeleeuwen schelvis zat voor onze kust. Nu zit deze in de noordelijke Noordzee en wordt verkocht in Engeland (Grimsby). De pieterman is in de jaren zestig langzaam verdwenen. Toen werd deze vissoort zeer gewaardeerd en werd zelfs duurder verkocht dan tong. De tarbot is de nummer één in de visprijs. Hij werd overal gevangen maar zelden talrijk. Hij werd vaak samen met griet gevangen. De vissers noemden hem “rare vis” wegens zijn zeldzaamheid. De tarbot is te vinden in het paaigebied van de haring, omdat hij zich voedt met de eitjes van de haring. Tong (nummer twee qua visprijs) werd ook overal gevangen. Tong zit meest in troebel water. Deze soort heeft tot op heden eigenlijk behoorlijk stand gehouden. Opmerkelijk in het geheugen van de getuigende vissers was de strenge winter van 1963. Op het einde van die winter werd de tong ziek. Tong is namelijk gevoelig voor strenge winters. Bij de niet courante commerciële vissoorten is de steur vermeldenswaardig. Deze werd relatief regelmatig aangevoerd in Oostende. Hij is afkomstig van Zuid-Europa en is nu in de zuidelijke Noordzee al zeer zeldzaam. In Engeland wordt hij “royal fish” genoemd omdat hij bestemd was voor het Engelse koningshuis. Het is een anadrome vis. Een anadrome vis is een vis die vanuit zee de rivieren optrekt om er te paaien. Anadrome vissen zijn zeldzaam geworden ten gevolge van de slechte kwaliteit van de rivieren door de vervuiling. Een tweede niet courante commerciële vissoort is de tonijn die in de noordelijke Noordzee uitgeroeid werd in de jaren zestig. Het was geen reguliere visserij van de Vlaamse vissers.

De spreker had het vervolgens over de vangst van schaaldieren aan onze kust. Gevangen kreeften werden zoveel mogelijk in leven gehouden in een benne die buitenboord het schip werd gehangen. Ze waren bestemd voor de restaurants. Soms werden de kreeften door de vissers zelf gegeten in het begin van hun reis. Op mosselen werd vooral gevist door ingeweken Bouchautenaren ( Bouchaute is de oude benaming van Boekhoute bij Assenede). Door de verzanding in 1952 van de Braakman, de verbinding tussen de vissershaven van Boekhoute en de zee, konden de Boekhoutse vissers niet meer uitvaren en week een aantal van hen uit naar de kuststreek. Het Vlaamse mosselzaad is volgens de geïnterviewde vissers het beste. De platte oester is quasi uitgestorven vóór de Tweede Wereldoorlog, maar toch nog niet volledig. Op strandgapers (ook “zekers” genoemd) werd ooit commercieel gevist in Zeebrugge vóór de jaren ‘60 (voordat de nieuwe muur er kwam).

Er waren ook enkele getuigenissen over zeezoogdieren. Het gedrag van robben werd vroeger gebruikt door de sprotvissers om de scholen sprot te vinden. Robben zijn namelijk jagers op sprot. In juli 1932 was er een ontmoeting met een walvis in de Noordzee. Later spoelde deze walvis aan in Duitsland.

Verder had Guido Rappé het nog over “vorte” in de netten: planktonbloei en over de last die de vissers soms hadden van “gallen” (kwallen). Hij toonde ook een grafiek met de evolutie van de temperatuur van het zeeoppervlak van de Noord-Atlantische Oceaan. Er was een opwarming in de periode tussen de jaren dertig en zestig van de vorige eeuw (weliswaar iets minder hoog dan de huidige opwarming). De opwarming in die periode kan een mogelijke verklaring zijn voor het verdwijnen van de pieterman in die periode in de Noordzee.

Tot slot van deze zeer interessante en boeiende voordracht las Guido Rappé nog enkele fragmenten voor (in het dialect) van de opgenomen getuigenissen van geïnterviewde vissers op rust. Het project “De Zee van Toen” is een mooi voorbeeld van mondelinge geschiedenis en van het bewaren van immaterieel maritiem erfgoed.

Marc De Meester