>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek
HomeActiviteitenActiviteiten 2010Open MonumentendagOpen Monumentendag 2010 - Molen van Callant

omd_2010_ramskapelle-molen-callant

 

Praktische informatie

Plaats: Ramskapellestraat z/n, Ramskapelle

Uren: Van 10-18u, met doorlopend gidsbeurten en aanwezigheid van molenaar

Verhaal: Deze spierwitte bergmolen (1897), met onderdelen van een oudere staakmolen die al in 1461 wordt vermeld, staat aan de rand van een pittoresk polderdorp. Hij is in 1999 als monument beschermd en de omgeving als dorpsgezicht. In 1912 werd hij uitgerust met een motor om ook op windstille dagen te kunnen malen. De molenaar vertelt met passie over de molen en zijn restauratie.

De oudste vermelding van een molen in Ramskapelle is uit 1416: ‘te Ramscapelle, eene meulne toebehoo­rende Janne van Dud­zeele’. De molen, een houten staakmolen, was op een kleine kunstmatige heuvel gebouwd, 200 meter ten zuiden van de dorpskom, vermoede­lijk om de mensen die in de nabijgelegen steenovens werkten, van brood te voorzien. Bij de molen hoorde immers ook een bakke­rij. Pourbus tekende de molen van Ramskapelle op zijn kaart van 1571. Rond 1580, tijdens de godsdiensttroebelen, gaat de molen in de vlammen op, maar wordt daarna weer opgericht. De laatste staakmolen begaf het in 1896 tijdens een storm.

In 1897 bouwde Jozef De Vos met hergebruik van bepaalde 17de- of 18de-eeuwse onderdelen van de afgebroken staakmolen, een stenen molen in gele baksteen (formaat 22 x 11 x 6,5 cm) met rond­boogvensters en twee ingangen, bestaande uit eenvoudige bakstenen dorpels en klampdeuren. In de roodgeschilderde sluitsteen boven de ingang staat de inscriptie: ‘J. De Vos / Deckers 1897’. In 1912 werd door een Duits bedrijf een motor geïnstalleerd, waardoor de molen mechanisch of door de wind kon worden aangedreven. De motor stond buiten de molen en werd door een riem verbonden met de onderaandrijving, waarvan de aandrijfwielen aan de buitenkant van de romp bevestigd waren. De huidige eigenaarsfamilie Callant verwierf de molen in 1924.

restauratie-molen-van-callantIn 1934 wordt één roede uitgehaald, in 1936 de andere. Op 5 januari 1936 waait door een storm de kap van de molen. Vanaf dan tot 1960 draait de molen mechanisch, het maalwerk werd via een extern riemwiel door een buiten de molen opgestelde motor aangedreven. Het mechanisme - twee maalstoelen op de steenzolder, het spoorwiel dat twee kamwielen aandrijft - bleef gelukkig aanwezig. Charles Callant was molenaar tot 1960. De molen kwam daarna buiten gebruik. Doordat de koppen van de moerbalken volledig uitgerot waren, was er instortingsgevaar. Ofwel moest men alles stutten, ofwel de volledige binneninrichting verwijderen. Er werd gekozen voor de laat­ste oplossing.

molen-van-callant-for-freedom-museumNa de klassering in 1999 als monument en de gebouwen in de onmiddellijke omgeving als dorps­gezicht ontstonden plannen voor de restauratie. De maalinrichting en de zolders werden in juni 2001 uit de molen gehaald met een hijskraan. Alle onderdelen werden van een etiket voorzien, behandeld tegen houtworm en verdere verrotting en opgeslagen in een loods. Intussen werd de molenromp, vloeren en trappen en het overige metselwerk gerestaureerd. In 2005 werden de kap, de wieken, de maalinrichting en de molenberg te worden gerestaureerd zodat de molen terug maalklaar werd. Het eerste weekend van augustus 2005 werd de Molen van Callant plechtig ingehuldigd.

De huidige conische bakstenen molenromp is volledig met een cementlaag bezet. De benedenvloer is uit baksteen op kant, de zoldervloeren bestaat uit zowel brede als smalle planken. De molen heeft een steen- en een luizolder. De ingang en de vensters zijn omsloten door een rondboog met regenlijst. De molen heeft twee koppels maalstenen, op de klauwijzers respectievelijk gedateerd 1626 (oudst vermelde datum in het West-Vlaams molenbestand!) en 1735. Op een balk op de benedenverdieping is de naam van de laatste molenaar geschilderd ‘19 C. Callant 23’, op het ene klauwijzer staat ‘isb’ en ‘1626’, op het andere ‘1735’.

 

ramskapelleRamskapelle

De parochie Ramskapelle is ontstaan op een grote terp waar al voor de indijking van de Zwinstreek schapenboeren woonden. Deze vluchtheuvel in de toenmalige Nederlanden werd na de aanleg van de Evendijk uitgebreid tot een woonterp. Deze ronde hoogte met een doorsnee van ongeveer 125 m is nog steeds waar te nemen in de dorpskern van Ramskapelle. Naarmate de ontginning en de uitbating van het ingepolderde gewest vorderde, kwamen meer boeren zich in het gewest vestigen en werden meer wegen aangelegd. Op de terp bouwden enkele landarbeiders hun huisjes. Er groeide een dorpskern waar men een hulpkapel oprichtte. Enkele jaren later werd de kapel verheven tot parochiekerk, die in 1260 de naam Ramskapelle kreeg. Men neemt aan dat de nieuwe parochie in de eerste helft van de 13e eeuw van de moederparochie Dudzele afgescheiden werd. In 1546 bestond in Ramskapelle al een boogschutters­gilde. Kerk en pastorie werden op het einde van de 16de eeuw in brand gestoken en het duurde tot 1638 om die volledig opnieuw op te bouwen.

 

Steenbakkerijen

Het vroege bestaan van Ramskapelle is vermoedelijk te danken aan de aanwezigheid van Brugse steenovens in de buurt. Op 23 mei 1331 verkochten Marie en Pieter vander Weyde hun huis met een groot stuk grond, genaamd Aaishove, aan het Brugse Stadsbestuur. De grond was door de aanwezigheid van klei en turf op geringe diepte uitermate geschikt voor het maken van bakstenen. Het Stadsbestuur stelde deze eerste tegelrie onder toezicht van de meester van het Sint-Janshospitaal omdat het hospitaal al jaren over eigen steenbakkerijen beschikte. De eerste stenen die in het voorjaar van 1332 gebakken werden, dienden voor de bouw van twee steenovens. In die periode werden nog meer steenovens in de driehoek Dudzele/Lissewege/Ramskapelle opgericht. De karelen (vierkanten gebakken stenen) konden immers gemakke­lijk via de Noordwatergang naar Brugge verscheept worden. De gebroeders Clauwaert zorgden voor de verdere uitbating van de steenovens.

Er werden miljoenen stenen gebakken, die naar Brugge verscheept werden en dienden voor de bouw van de stadsomwalling, de poorten en een groot aantal bruggen en kaaien. Het werk in de steenovens werd gedaan door mensen die in barakken op de terreinen leefden. De molen met bijhorende bakkerij werd dan ook vermoedelijk gebouwd om die mensen van voedsel te voorzien. Voor de 16de eeuw was de meeste poldergrond in Ramskapelle al uitgebakken, waardoor de stenen­productie stilviel. Omstreeks 1800 ontstond een nieuwe steenoven, die tot het begin van de 20ste eeuw actief was.