>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek
HomeTentoonstellingenGeschiedenis van de lucifer - 26 maart tot 29 april 2003
"Allumatch” kwam tot stand in samenwerking met de heer Christian Verslegers uit Luik. Hij zorgde voor een 700-tal A3 afdrukken van luciferwikkels die hij selecteerde uit zijn grote verzameling.

Tijdens de tentoonstelling kunnen bij hem afdrukken worden besteld à 5 € niet geplastificeerd en 10 € geplastificeerd.

De affiche van de tentoonstelling is een ontwerp van stadsgenoot Fabien Raes.
Voor de tentoonstelling mochten we ook putten uit de verzameling van Albert Mosset en uit onze eigen collectie.

lucifers
lucifers
Het principe van de aansteker is steeds de vuurslag geweest: door het tegen mekaar slaan van vuurstenen of door hard en snel twee stukken hout tegen mekaar te wrijven kreeg men een vonk, die vuur veroorzaakte.
In een tondeldoos ontstaat een vonk door het slaan van staal op vuursteen. Men gebruikte lange tijd de tondeldoos om een zwavelstokje (=houtsplinter gedrenkt in zwavel), te ontsteken.
lucifers
lucifers
In de 16e eeuw bestond de draaiende aansteker: een cilinder voorzien van een vuursteen. Met een behulp van een koordje werd een vlugge rotatie bekomen, waardoor een vonk uit een ‘vuurwapen’ spoot.
Fosfor is erg verspreid in de natuur, vooral in een vulkanische omgeving. De Zweedse chemicus Scheele ontdekte in 1774 de nuttige eigenschappen van fosfor. Zijn landgenoten Pasch en Lünd-strom zorgden ervoor dat Zweden een belangrijke rol zou spelen in de lucifer-productie.
lucifers
lucifers
Charles Sauria ontwierp in 1831 de eerste echt bruikbare fosforlucifer. Die toepassing was voor de huisvrouwen zeer belangrijk. Voordien ontstaken zij in solfer gedrenkte lange strohalmen, vlierhout of hennepstoppels aan de gloeiende as in de haard.
Esp en populier zijn snelgroeiende bomen, die niet harshoudend zijn en voldoende sterke vezels hebben. Deze houtsoorten voldoen aan alle eisen om goede lucifers te vervaardigen. De boom moet tussen de 25 en 30 jaar oud zijn, en de stam meet tussen 80 en 180 centimeter.
Het hout wordt eerst ontdaan van takken en ontschorst. De op een bepaalde lengte gezaagde stukken worden in grote vlakke platen op de dikte van een lucifer geschild. Die platen worden op hun beurt gehakt in houtjes op de lengte van een lucifer.
Miljoenen stokjes komen dan in een impregnatiebad en eventueel kleurbad. De aangestoken lucifer gloeit daardoor niet na, zodat men brandschade kan vermijden.
lucifers_logo
Om splinters te voorkomen worden de houtjes gepolijst. Ze komen daarna in een bad met paraffine om de vlam van de kop beter op het hout over te dragen.
Om de kop op het houtje te zetten, worden ze op een stalen mat met tienduizenden kleine gaatjes geperst. Het hoofdbestanddeel van de kop is geen zwavel maar kaliumchloraat.
lucifers
lucifers_logo

 

Een sterk afwijkende samenstelling hebben o.a. de waslucifers, de speciale lucifers voor militair gebruik, zoals de windlucifers die in een sterke wind blijven branden, en de vlamloze lucifers waarvan de vlam moeilijk waar te nemen is.

Het gevaar voor spontane ontbranding was een groot probleem bij de eerste lucifers. Een ander probleem was de giftigheid van de witte fosfor. Veel arbeiders in de eerste luciferfabrieken leden hierdoor aan kaaknecrose (het afsterven van het kaakbeen).

Chemisch onderzoek leidde in de 19e en 20e eeuw uiteindelijk tot de vervaardiging van de zgn. Zweedse lucifer of de veiligheidslucifer.

Die lucifers kunnen slechts worden ontstoken aan een speciaal met rode fosfor bewerkt strijkvlak. Dat soort lucifers wordt nu nog het meest gebruikt.
In bepaalde landen (bv. Frankrijk) gaf de Staat de exploitatie van luciferfabrieken in concessie. In België bleef de luciferproductie in handen van privé-ondernemers.
De lucifers komen in kartonnen dozen. Tot de jaren ’60 was het basismateriaal hiervoor ook hout. Sedert de jaren ’60 heeft de wegwerpaansteker de lucifer grotendeels vervangen.
De Belgische luciferindustrie

Klein begonnen

De eerste Belgische luciferfabriek werd in 1835 opgericht in Lessen door Balthazar Mertens. De luciferproduktie groeide zeer snel en in 1880 telde België al veertien primitieve fabrieken, waarvan er negen in de Denderstreek waren gevestigd. Geraardsbergen was het grootste productiecentrum.

De hevige prijzenstrijd die de nijveraars met elkaar uitvochten leidde snel tot sociale wantoestanden. In de 19de eeuw kende geen enkele bedrijfstak zoveel kinderarbeid als de luciferindustrie : 30% van het totaal aantal arbeiders was jonger dan 14 jaar, 18% had een leeftijd tussen 14 en 16 jaar. Toen in 1886 sociale onlusten uitbraken liet het stadsbestuur van Geraardsbergen onmiddellijk alle herbergen, kroegen en drankhuizen sluiten en vorderden zij het leger. De staking kon gebroken worden, maar er werd een commissie opgericht die gelast werd met een onderzoek naar de levensvoorwaarden van de arbeiders.

België was na Zweden het grootste lucifersexporterende land van Europa. De overvloed aan goedkope arbeidskrachten, de voordelige geografische ligging aan de gekanaliseerde Dender, de goede verkeersinfrastructuur, voldoende open ruimte en het voorhanden zijn van voldoende hout, waren zeer positieve factoren voor een industrie met toekomst. De Belgen lukten er nooit in de Zweedse lucifersexport te bedreigen, maar ze werden wel grote concurrenten aangezien ze hun lucifers, die van een mindere kwaliteit waren, tegen een beduidend lagere prijs verkochten..

Vele kleintjes maken een groot

Reeds in 1883 en 1886 waren er pogingen om een aantal fabrieken samen te brengen maar het is pas in het begin van de 20e eeuw dat een sterke concentratie plaats vond. In België ontstond in 1912 de overkoepelende fabriek ‘Union Allumettière’ doordat een negental lucifersfabrieken samengebracht werden. Nog voor de oorlog werden hiervan drie fabrieken stilgelegd. Daarnaast bestonden nog 6 onafhankelijke fabrieken.

Ondertussen was Ivar Kreuger erin geslaagd alle Zweedse luciferbedrijven te groeperen in “Svendska Tändsticks (STAB)” en vanaf 1920 begonnen de Zweden hun veroveringstocht in ons land. STAB kocht eerst de zes laatste onafhankelijke Belgische luciferbedrijven op. Die werden verenigd in de Zweedse firma ‘Fabriques Belges d’Allumettes’. Uiteindelijk zou in 1925 de volledige Belgische luciferindustrie versmelten en door Zweden worden gecontroleerd. Tijdens het interbellum bleef deze industriële activiteit hoge ogen gooien.

Jarenlang stonden de doosjes van de Union Allumettière (UNAL) in alle huishoudens: drie gekruiste fakkels op een helgele achtergrond. Onder een boogvormige ‘Union Match’ stonden de dooreen gestrengelde U en M.

union_match

Diversificatie

Na rationalisatie werd gedacht aan diversificatie. Bij het maken van lucifers wordt slechts de helft van het hout gebruikt, de rest is afval dat meestal wordt gebruikt als brandstof voor de stoomketels.

Intussen was een nieuw soort bouwmateriaal ontstaan: de houtvezelplaat. En daarvoor beschikte men in Geraardsbergen over voldoende houtafval van de luciferfabrieken. Op 12 mei 1939 werd het licht op groen werd gezet voor de bouw van de nieuwe ‘UNAL’- fabriek. In september 1944 was de fabriek startklaar en was toen een van de meest moderne bedrijven in Europa. Unalit zou een begrip blijven tot het bedrijf in 1978 werd gesloten.

Genetische manipulatie

Swedish Match richtte in 1948 tegenover de luciferfabriek het ‘Instituut voor Populierenonderzoek’ op. O.l.v de Deense professor Carl Muhle Larsen slaagde het onderzoekscentrum er in populieren-soorten voort te brengen met eigenschappen die waardevol zijn voor de luciferindustrie. De tegen bepaalde ziektes resistente klonen groeien veel vlugger en het hout heeft een hogere sterktegraad en een betere kleur.

In 1982 heeft de Belgische Staat dit instituut dat een leidende rol in Europa speelde, aangekocht en omgedoopt in Rijksinstituut voor de Populierenteelt.

Uitgebrand

De rond Geraardsbergen geconcentreerde luciferproductie kende in de jaren ‘50 gouden tijden, maar eind de jaren ‘60 doken de eerste problemen op door de introductie van de wegwerpaansteker. Daarbij kwam later de automatische vonk voor gasfornuizen, waardoor ‘het stekje’ minder populair werd. De anti-tabakswetgeving, de concurrentie o.m. uit Japan… zorgden eveneens voor een dalende omzet. De hoge loonlasten legden het lucifertje nog meer onder vuur. In 1973 sloot de Ninoofse luciferfabriek van Merckx, de enige Belgische concurrent van Swedish Match, zijn poorten.

In februari 1999 ging na 150 jaar het licht uit voor de hele Belgische luciferproduktie: het solferstokje was opgebrand. De hele produktie werd overgebracht naar het Oostblok (Hongarije).

ninove_belgium

Publicitaire luciferdozen

De diverse luciferssoorten van de verschillende nijveraars kregen oorspronkelijk gedeponeerde merken. Vandaar de talloze bestaande ‘historische’ luciferswikkels. Zij vertellen de gedreven verzamelaar het verhaal van de hevige concurrentie, de overname-, fuserings- en rationaliseringsprocessen die de Belgische fabrieken hebben doorgemaakt..

Latere luciferdozen waren van een kleurrijke verscheidenheid en de diversiteit van de grafische decoratie fascineert nog velen. Op de labels van de luciferdoosjes werd reclame gemaakt voor alle mogelijke huishoudproducten, huishoudtoestellen, politieke partijen, tabaksprodukten, maar evengoed voor grote manifestaties, toeristische attracties … In de jaren ’60 verschenen er bijzondere reeksen voor verzamelaars met bv. afbeeldingen van molens, wielrenners, wapenschilden, …

Nog steeds legt de Belgische dochteronderneming van Swedish Match (uit de Volvo groep) zich toe op het maken van reclamewikkels en kleurrijke reclamelucifers. Het gaat om zgn. ‘boekjes’ die in de horeca gebruikt worden, en om doosjes in alle maten en soorten voor sigarettenfabrikanten.

De luciferdoosjes en –boekjes worden verwoed vezameld door de“filuministen “(philos=vriend – lumen=licht). Sommige verzamelaars brachten meer dan 250.000 verschillende lucifersetiketten en meer dan 8000 lucifersdoosjes (tot 1960/1970 in hout, maar nu in karton) samen.

belga fort rizla

kortrijk cvp

‘Allumatch‘ in het Museum Sincfala

allumatchTabakspot uit het café

Naar aanleiding van de opening van de tentoonstelling demonstreert de Koninklijke Rokersclub ‘De Ware Vrienden’ haar kunnen in het café van het museum. Reeds vanaf 1883 kent Heist een “rokersclub”. Tussen pot en pint is toen waarschijnlijk besloten een rokersclub op te richten, om toch nog enig ‘verzet’ te hebben tijdens de lange donkere wintermaanden. In het begin werd er altijd uit een stenen pijp gerookt die voorzien was van een kromme steel. De leden moeten zo lang mogelijk hun pijp brandende houden met de volgens het reglement voorzien aantal gram tabak. Vrouwen krijgen 3 gram, mannen 4 gram tabak. Je moet het maar doen: 204 minuten je pijp brandend houden met je beperkte voorraad. Echt zuinig, maar een kunst! Het lokaal bevindt zich in café ‘Ferry Bank’ in de Pannenstraat.

kruisbeeld_luciferdoosje

De Museumvriend Michael Vandierendonck, schonk aan het Museum Sincfala een merkwaardig stukje volkskunst: een kruisbeeld gemaakt van luciferdoosjes.

Dit soort kruisbeelden werden door nijvere huisvlijt uit de laatjes van de luciferdoosjes vervaardigd. Eerst werd een aantal doosjes samengebracht in een wielvorm. Het kruis werd daarna gevormd door een zevental wielen die met vernis werden bijgekleurd.

Het kruisbeeld was dikwijls afkomstig van een doodskist.

Het museum maakt gebruik van de gelegenheid om een aantal collectiestukken, die verband houden met het onderwerp te presenteren, o.m. een tabakssnijmachine, tabaksreclame, sigarenpers,…. Onze boeken met ongeveer 1500 luciferwikkels liggen voor het eerst ter inzage van het publiek.

Bibliografie

Winkler Prins Encyclopedie

L’Histoire d’une Allumette,Serie Encyclopédie Glucq, des leçons de choses illustrés, Pellerin, Imagerie d’Epinal n° 3831

Herinneringen aan lucifers, Swedisch Match, K.E. Hedborg – 1972

Lucifersbedrijven te Geraardsbergen, Stedelijke Culturele Raad Geraardsbergen, Godfroid en Surdiacourt – 1983

De Stekskesmannen, 90 jaar luciferindustrie in Ninove, VVV Ninove, Jansen en Robben – 1998

De teloorgang van de lucifersnijverheid in Geraardsbergen, Geraardsbergs Heemkundig Archief, De Nie – 1999.

The Book of matchbox labels, New Cavendish Books, Roger Fennings - 2001

Herkomst van de illustraties: Museum Sincfala – 2003

Teksten: Rita Peckelbeen, Museum Sincfala – 2003

Museum Sincfala, Pannenstraat 140 te 8300 Knokke-Heist

Telefoon en fax: 050 530 730 – email: Dit E-mail adres wordt beschermd tegen spambots. U moet JavaScript geactiveerd hebben om het te kunnen zien.