>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek

De Zwinstreek van de ijstijd tot nu

De Zwinstreek is het gebied ten noordoosten van Brugge en dankt haar naam aan een stelsel van vaargeulen, waarlangs in de middeleeuwen zeeschepen tot in de Vlaamse havens konden doordringen. Het gebied wordt begrensd door de lijn Brugge-Blankenberge in het westen, de huidige kust van Zeebrugge tot voorbij Cadzand in het noorden en de lijn Brugge-Aardenburg-Oostburg in het zuiden en oosten. De huidige Belgisch-Nederlandse grens

fonske-prehistorie

verdeelt de Zwinstreek in een Vlaams en een Zeeuws-Vlaams gedeelte, die echter historisch één geheel vormen.

De huidige Zwinstreek toont de aandachtige bezoeker een landschap, waarin de sporen van een meer dan duizendjarige geschiedenis nog duidelijk te herkennen zijn. Kreken getuigen van de overstromingen door de zee. Dijken wijzen op de strijd van de mensen tegen het water. Historische stadjes als Damme en Sluis herinneren aan een bloeiende handel in vervlogen eeuwen. Forten en bunkers dateren uit woelige oorlogsjaren. Imposante hoeven met in hun midden aardige dorpjes, zijn de ankerpunten voor de landbouw, die het landschap van de Zwinstreek beheerst. Daarnaast biedt de Zwinstreek ruimte voor genieten van de natuur en voor ontspannende beleving van schoonheid in een rustgevende omgeving.

 

Van toendra tot veen

Toendra
In de ijstijd ligt de Noordzee droog. De kustlijn ligt ten westen van Ierland. De Zwinstreek is een toendralandschap met struiken en zand op een bevroren ondergrond.

Bosgebied
Wanneer het ijs smelt, verplaatst de kustlijn zich naar het oosten. De kust wordt waddengebied, maar de Zwinstreek blijft buiten het bereik van de zee. Eerst groeien er dennen, dan loofhout.

Veen
Vanaf 3500 voor Chr. stijgt het water langzamer. Voor de huidige kust ontstaat een duinwal. De kustvlakte evolueert naar een zoetwatermoeras. De afgestorven begroeiing vormt een veenlaag, soms drie meter dik.

 

Het wad slibt dicht

zwinstreek_950_web_kleinWaddengebied
Stormvloeden doorbreken de duinengordel. De duinwal spoelt weg. Het tij verandert de kuststreek weer in een waddengebied met schorren, kreken en slik.

Turfwinning
Aanslibbing van zand en klei verhoogt de kustgronden. In het begin van de jaartelling is er weer menselijke bewoning met ontwatering, landbouw en zoutwinning. Turf uit het veen dient als brandstof. Maar de turfwinning en afwatering versnellen het uitdrogen en dalen van de bodem.


Onbewoonbaar schorrengebied

Waddengebied
Nieuwe doorbraken van de zee in de 3de eeuw overstromen heel de kustvlakte tot aan de zandrug bij Brugge. Het getij schuurt er grote kreken uit, de meest oostelijke mondt uit in het Sincfal . De kustvlakte is weer onbewoond waddengebied. Ze vormt de kern van de latere Vlaanderengouw, wat "overstroomd land" betekent.

 

De mens bouwt de eerste dijken

zwinstreek_1170_web_kleinWaterweringsdijk
De aanslibbing bij vloed is groter dan de erosie bij eb. Dat veroorzaakt opnieuw een verlandingsproces. Eerst komen er schapenweiden in het Zwingebied, later worden er ook akkers aangelegd. Rond het jaar 1000 bouwt men haaks op de kust een aarden wal. Die vormt de eerste beschermingsdijk tegen overstroming bij stormvloed.

 

Het Zwin verzandt

Ringdijk
De waterweringsdijk wordt evenwijdig met de zee doorgetrokken. Hij sluit aan bij een oostelijke ringdijk langs de afwateringsgeul naar het Sincfal.

Stormvloeden
De dijken houden stand, maar grote stormvloeden in de 12de eeuw verbreden en verdiepen de getijdengeulen, waaronder die van het Zwin . Het is aanvankelijk bevaarbaar voor zeeschepen tot Damme.

Verzanding
De dijken van de nieuwe polders versmallen de toegangsgeulen. Ze verminderen de werking van het getij zodat het Zwin weer geleidelijk verzandt.

 

De landbouw bloeit

zwinstreek_1425_web_klein

Verzanding
Door de verzanding is de Zwingeul steeds minder bevaarbaar. Pogingen om het waterdebiet te verhogen door het graven van nieuwe verbindingen mislukken. De havenactiviteiten op het Zwin verplaatsen zich meer en meer zeewaarts tot ze volledig worden stopgezet.

Inpoldering
Verregaande inpolderingen maken van de Zwinstreek na 1600 vruchtbaar landbouwgebied. Nieuwe waterwegen worden aangelegd voor afwatering en transport. De vissersdorpen aan zee krijgen in de 19de eeuw een nieuwe expansie door het kusttoerisme.

Aan de hand van een tekenfilm maak je als bezoeker een reis door de tijd. Het start met een eenvoudige druk op een knop. Een (niet zo slim mannetje) en een (pienter) schaap nemen je mee door de tijd van 12.000 voor Christus tot 1900.

 


Evolutie in de cartografie

Ongeveer 10.000 jaar geleden begon een algemene opwarming van het klimaat, met als gevolg het smelten van de ijskappen. De zeespiegel steeg eerst vrij vlug. De Noordzee breidde zich uit en overstroomde steeds verder de kustgebieden. Waar zich nu onze kustvlakte uitstrekt werd door afzetting van zand en klein een dynamisch getijdenlandschap gevormd. Omstreeks 5000 jaar geleden (3000 voor Chr.) vertraagde de zeespiegelstijging. Er werd massaal zand aan de kust afgezet. Aldus werd een zandige kustbarrière  gevormd, die de invloed van de zee grotendeels kon tegenhouden. In de kustvlakte ontwikkelde zich op grote schaal een veenmoeras. Gedurende een paar duizend jaar werd een veenlaag gevormd van één tot drie meter dik. Dit veenlandschap werd door de Kelten reeds gebruikt, onder andere voor zoutwinning.

Omstreeks 2500 jaar geleden (500 voor Chr.) drong de zee weer door in het veenlandschap van de kustvlakte. Oorzaken waren onder andere een lichte stijging van de zeespiegel en veenafgraving voor zoutwinning. De veengroei stopte. In de volgende eeuwen drongen getijdengeulen van de zee steeds dieper het veenlandschap binnen. Dit landschap was in de Romeinse tijd bewoond. Er werd aan landbouw en zoutwinning gedaan. Maar vooral bij stormweer werden grote delen van het veen weggeslagen. In de Zwinstreek kon de invloed van de zee langs brede zeegaten (de Sincfala) doordringen tot in de monding van de Reie bij Brugge. Tegen 500 na Chr. was de gehele Zwinstreek tot een ondiep getijdenlandschap geëvolueerd, met slikken (wadden), schorren en actieve getijdengeulen. De bewoning had zich grotendeels naar het binnenland (de Zandstreek) teruggetrokken.

Vanaf 700 na Chr. evolueerde het getijdenlandschap door afzetting van zand en klei tot kruibare schorren en zoutweiden voor de schapenteelt. Het gebied raakte opnieuw bewoond. Dudzele en Cadzand behoren tot de eerste nederzettingen op de hoogst gelegen plaatsen. Inmiddels vaarden zeevaarders het geulenstelsel van de Sincfala op tot aan Brugge, waar reeds in de Vroege Middeleeuwen een aanlegplaats (Bryghia) in de monding van de Reie ontstond. Om de zoutweiden en de eerste dorpen te beschermen tegen stormvloeden werden enkele evendijken (kilometerslange aarden bermen) opgeworpen. Omstreeks 1100 na Chr. was een ruim gebied rond Dudzele, evenals het eiland Cadzand, reeds tegen overstroming van de zee beschermd. Zo ontstonden de eerste (uitgestrekte) polderlandschappen, “Oudland” genoemd.

geographische-heraldische-kaart-van-pourbusTijdens de Middeleeuwen werden de getijdengeulen van de Sincfala enkele keren door felle stormvloeden geteisterd (onder andere door de stormvloed van 1134). Bestaande geulen werden verlegd of uitgebreid en nieuwe werden uitgeschuurd. Enkele daarvan, zoals de geul tussen Heist en Cadzand, speelden daarna een grote rol in de scheepvaart naar de Vlaamse havens en zijn de geschiedenis ingegaan als “HET ZWIN” (zwin = honte = getijdengeul). Als gevolg van verzanding in de Reiemonding werd de Brugse haven omstreeks 1100 zeewaarts verlegd naar een goed bereikbare plaats aan de getijdengeul van Het Zwin. Deze plaats (Hontsdamme, later DAMME) werd de voorhaven van de Middeleeuwse handelsstad Brugge.

Vanaf 1150 werd het overblijvende getijdengebied langs de geulen van de Sincfala stelselmatig ingedijkt tot polders om als landbouwgrond te gebruiken. Van de bevaarbare geulen van Het Zwin bleef op den duur slechts een smalle geul naar Damme over, die dan ook snel verzandde. Om aan nieuwe stormvloeden het hoofd te bieden werd de bereikte dijkenlijn in 1405 tot een stevige zeedijk uitgebouwd. Deze Graaf Jansdijk zal dan gedurende bijna drie eeuwen de Vlaamse kust beschermen tegen de zee.

Omstreeks 1400 werd de zeehaven verplaatst naar Lammensvliet (later SLUIS), een plaats dichter bij de monding van een nog actieve getijdengeul die op de 16de eeuwse kaart van Pourbus aangeduid staat als “Het Zwin”. Deze getijdengeul lag meer westelijk dan het huidige ‘Zwin’ op de Belgisch-Nederlandse grens. In de loop van de volgende eeuwen is deze ‘Zwinmonding’ verder opgeschoven naar het oosten, terwijl voor de kust van Knokke duinen en schorren uitbreidden. Ook tegenwoordig heeft het restant van die Zwingeul nog de neiging om zich oostwaarts te verplaatsen en de duinen van Cadzand af te breken.

CARLKXX00249Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) fungeerde de Zwingeul als frontzone tussen de Zuidelijke (Spaanse) Nederlanden en de Noordelijke Verenigde Provinciën. De dijken werden doorgestoken, waardoor onder andere ten zuiden van sluis vele polders onder water liepen. Aan beide zijden van de Zwinmonding werden forten opgericht (Retranchement, Isabellafort, fort Sint-Donaas,...) terwijl Sluis en Aardenburg met een gebastioneerde vesting werden omgeven. Het grotendeels ontvolkte Damme werd ingericht als garnizoenplaats voor de Spaanse soldaten en met een vesting in de vorm van een zevenster versterkt.

In 1784 was op de linkeroever van de Zwinmonding een ruime schorre ontstaan. Deze Hazegrasschorre werd bedijkt en de polder werd voor de landbouw ingericht. In 1872 werd hetgeen nog van de Zwinmonding overbleef afgesloten van de zee door de bouw van de Internationale Dijk. Aldus ontstond de grensoverschrijdende Willem-Leopoldpolder. Deze polders vertonen alle kenmerken van het “Nieuwland” : een effen oppervlak, restanten van getijdengeulen (‘kreken’), nog goed herkenbare dijken en grote rechtlijnige percelen. Inmiddels werd de Zwinstreek doorsneden met enkele grote rechte kanalen : in 1810 het Napoleonkanaal (Damse Vaart), 1842 Leopoldkanaal en 1846 Schipdonkkanaal. Met hun hoge bomenrijen zorgden deze kanalen voor opvallende lijnen en schermen in het vlakke landschap.

Na 1900 onderging het landschap van de Zwinstreek plaatselijk grote veranderingen. De evolutie in de landbouw wijzigde het uitzicht van de hoeven en vroeg om grootschaligheid in de landbouwgronden. De uitbouw van het kusttoerisme heeft de duinen grotendeels opgeofferd aan bebouwing, haventerreinen en transportwegen hebben plaats afgenomen van de landbouw. Toch blijft de Zwinstreek bij uitstek een gebied om op verkenning te gaan naar de herinneringen van het verleden en de waarden van heden.

Overzicht bezoekerscentrum | Inpoldering van de Zwinstreek