>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek

De havenstad Sluis rond 1400

sluis-voor-de-versterkingen-16de-eeuwVanaf 1323 is Sluis de laatste voorhaven van Brugge. Door de verzanding zijn de andere havens dichtgeslibd. Ook Sluis is alleen nog bij vloed bereikbaar voor zeeschepen. De waren worden er overgeslagen op lichters, die ze naar Brugge varen.

Sluis blijft ondergeschikt aan Brugge, de draaischijf van de Vlaamse lakenproductie. De wol komt via het Zwin uit Engeland. In Sluis komen schepen uit Noord- en Zuid-Europa het laken ophalen en meteen hun eigen goederen verhandelen.

De Bruggelingen hebben het handelsmonopolie. Sluis moet zich tevreden stellen met het stapelrecht op hout en teer voor de scheepsbouw, steenkool en droge vis. Vissers uit Sluis verhandelen Noordzeevis. Vooral haring is in trek.

Hanzeschepen van de Oostzee leveren hout, graan en bont uit Scandinavië, Polen en Rusland en hopbier uit Hamburg. Fransen brengen wijn en zout, Genua en Venetië kruiden, zuidvruchten, suiker en aluin van de Middellandse Zee.

Voor een uitgebreide geschiedenis van het ontstaan, bloei en verval van de middeleeuwse Zwinhavens, breng een virtueel bezoek aan de tentoonstelling Havens in de Zwinstreek (1 juli tot 11 november 2007).

Gravure Guicciardini

Gravure van Sluis uit “Beschrijving der Nederlanden” door de Florentijnse koopman Lodovico Guicciardini (1521-1589). De maquette is een fragment en stelt de bedrijvigheid in de haven voor.

Audiofragmenten (tekstweergave)

Visser/loods
De visserij… 't is een schoon beroep. Ge zou ne keer moeten weten wat we allemaal uit de zee halen: kabeljauw, zalm, makreel, pladijs, haring. Zelfs walvis slepen we me ons sloepkes binnen. Maar 't is toch vooral haring da we vangen. Goeie vetten haring, we zijn er hier zot van. In 't najaar zit het hier vol voor de kust. Ge kunt ze bijna me uw blote handen opscheppen. En dan kaken we den haring. Dat is iets nieuws. Dat hebben we geleerd van die van de Oostzee. Een snee achter de kieuwen, de ingewanden eruit en onder 't zout in grote tonnen. Den hele winter door leggen wij een haringske op ons bord. En op de markt vechten ze ervoor.

Jaja, 't is een goe vak, de visserij. Maar rijk zult ge er nie van worden. En als ge dan de kans krijgt om op een galei te gaan loodsen en wa bij te verdienen, dan doet ge dat natuurlijk. Waarom denkt ge dat al die schuiten hier leeg zijn? Die mannen zitten op de galeien. Wij kennen de vaargeulen. Maar die sukkels van die vreemde schepen? Die varen overal op. Boven water is er niks aan de hand. Dan denkt ge dat ge ne schonen doorgang hebt. Maar eronder, aiaiai. Daar is ‘t zand. Bij elke vloed voert ‘t water hier slib aan. Elken dag meer en meer. Diep is 't hier al lang nie meer. Wij geraken erover met ons sloepkes, maar als die grote galeien met hun zware vrachten van hunne vaargeul afwijken, lopen ze vast. En voorbij Sluis is 't gedaan met varen! Daar is 't al helemaal verland.

't Doet wel wat, dat die vreemden, die de grote zeeën bevaren, da ze ne kleine leedsman van hier nodig hebben. Dan steekt ge uw kin vooruit en ge ademt mee met de deining van de zee. Maar vraagt ne keer aan mijn broer hier hoe 't met hem is afgelopen?!! Hij stond te veel me zijne neus in de wind. En toen? Het schip liep vast op nen dijk van ne zandbank. Een gat in 't schip, ne man overboord, de koopwaar naar de vaantjes…. En nu mag hij 't allemaal betalen. Vroeger, in den tijd van ons vader, waren het de scheepslui zelf die konden dokken, maar nu is 't in ene keer allemaal de schuld van de leedsman. En ge moet hem nu zien zitten, de sukkelaar. Gene rooien duit heeft hij nog en hij ziet scheel van miserie.

Havenarbeider
Kijkt ne keer naar 't water. Bij vloed is' t altijd raak. Dan lopen de schepen binnen en is 't hier een drukte van jewelste. Bij eb geraken ze er niet. Dan staat er te weinig water in 't Zwin. Maar bij vloed moet er hier gelost worden. En da's nie niks. 400 ton kunnen ze vervoeren, die grote galeien. Van alles voeren ze aan, uit alle windstreken: bier uit Hamburg, hout uit Rusland, zout uit Frankrijk, wol uit Engeland.

Alles in grote pakken. Ge ziet dat hier wel. En wij maar sjouwen en sleuren: balen, zakken, kisten. Ge komt er hier nooit goed vanaf. Ofwel gaat uw rug eraan. Of 't zijn uw armen of uw benen. Aan den overkant, ziet ge ze daar? Met vieren lopen ze den helen dag in die trapkraan goederen te hijsen. Stomdronken zijn ze, maar niet van ‘t bier. Daar komen ze niet aan.

Maar, tussen ons gezegd en gezwegen, soms breekt er wel ne keer zo'n vaatje. En wat doet ge dan? Da bier gewoon laten wegstromen?

Maar olala, als die van Brugge da rieken, dan zijt ge nog niet klaar. Want die van Brugge, da zijn de heren kooplieden. 't Stapelrecht, dat hebben zij natuurlijk. Bijna alle waren moeten in Brugge worden gestapeld en verkocht. Hier in Sluis mogen we niks. Haast geen waren opslaan, nie doorverkopen. Een goei weegschaal hebben we nie, meters hebben we nie…

Maar zonder ons, waar zouden die sjieke heren van Brugge staan? Nergens. Want die schoon galeien kunnen hier niet verder: 't water is maar 8 voet diep. Ze kunnen baggeren wat ze willen, maar elke vloed sleept weer nieuw zand aan en 't slibt toch weer dicht. En wat doen wij van Sluis dan? Hun schoon goederen overladen op kleine lichters. Die gaan dan langs de Zoute Vaart naar Brugge. 2 dagen zijn we bezig met die overslag.

t' Is niet dat we ons nie verzetten tegen dat Brugse stapelrecht. Begrijpt me goed. Handel drijven zit ook in 't bloed van de Sluizenaars. Maar de Vlaamse Graven hebben het nie echt voor ons. Als die van Brugge klagen over ons handeltjes, dan moogt ge zeker zijn dat we ermee moeten stoppen. Maar dat gaat veranderen. Dat zweer ik u. Want wij van Sluis, wij laten ons ook niet kisten: als 't niet in de openheid mag, dan doen we 't wel verdoken. Die van Brugge, ze gaan wel moeten toegeven.

Vrouw die laken komt kopen/keuren
Heer, schoon laken da gij hier hebt. ‘k zag het al van ver. 't Is da da k' moet hebben. Goe Vlaams laken… Als ge dat aan hebt, dan voelt ge geen kou meer. Van die van Brugge mogen wij in Sluis geen laken weven. Maar daar trekken wij ons niet te veel van aan. En 't is schoon laken. Die textuur, die kleuren, zo zuiver. Da moet ge soigneren, he.

Maar daar …in de overdekte markt. 't Laken ligt daar naast de groenten en 't fruit. Schoon fruit, da wel. Appelsienen, dadels en vijgen uit ‘t zuiden. Zoet dat die zijn. Ge likt er uw vingers bij af. Maar daar legt ge toch geen laken naast?! En de visboer staat daar ook me zijnen haring. ‘k Eet dat ook graag. Ne goeien haring, da smaakt. Maar laken moet ge gescheiden houden van de geur van vis. Laken, da moet naar wol ruiken en de kleuren moet ge laten schitteren in de zon. Wat ge daar vindt, 't zal wel laken van Vlaamse wol zijn. Maar die is bijlange niet zo goe als die van Engeland.

Die Engelse wol…al bijna 200 jaar voeren ze die in van over 't water. Wij Vlamingen, 't moment da we ontdekten dat de Engelse wol beter was dan die van hier, we waren er snel bij om er te gaan halen. En meteen hebben we daar in Londen een paar mannekes gezet om ons belangen te verdedigen. Een hanze noemen ze dat. En wij Vlamingen, we zijn felle bazekes. Alleen de beste wol verschepen we en geen ander. Jaja, in Engeland waren we ver vooruit op onzen tijd.

Met die van de Oostkust hebben we nog maar een klein 50 jaar handelsakkoorden. Maar op die korte tijd draait het hier wel. Bier, graan, hout, pek, dierenpelzen, noem het maar en die Oosterlingen brengen het naar hier. Hun schepen puilen uit van de waren. En ‘k zou 't zuiden nog vergeten. Fruit, wijn, zout. Da komt allemaal hier aan. En die schepen vertrekken ook niet leeg. 't Beste Vlaamse laken, dat laden ze hier in. Tot in Venetië pronken ze ermee. 't Zwin, dat is pas een handelsknooppunt!

Maar genoeg gepraat. Heer, zeg mij, hoeveel vraagt ge voor uw goed?

Inpoldering van de Zwinstreek | Oorlog verscheurt de Zwinstreek