>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek

Tot aan WO I werden de stenen veelal door rondreizende steenbakkerploegen gebakken in veldovens. De ovens in open lucht werden aangelegd op de plaats waar de bakstenen nodig waren. Hierdoor werden dure transportkosten vermeden, maar het was wel een seizoengebonden en zeer arbeidsintensieve activiteit. Als het regende kon er niet gewerkt worden en er was nog geen vergoeding voor regenverlet!

Bouw veldoven

Het aanleggen van de oven en de vuurhaard was een zeer precies en vakkundig werk. Niet iedereen was dekker of brander! De afmetingen van de veldoven hingen af van het aantal te bakken 'brieken'. De brander berekende nodige lengte en breedte. Per seizoen legde men een drie à vier veldovens aan.

Op een geëffende ondergrond werd met de resten van een vorig baksel een oven aangezet. In de voet van de veldoven werden luchtkanalen uitgespaard. Op die kanalen kwam een volle stenen 'vloer'. Tussen de vloerstenen was er voldoende ruimte om lucht en hitte te verspreiden. Op het eerste stenen fundament kwam een dikke laag magere cokesassen en een deel kleine antracieten (zgn. pietjes).

Op de vloer kwam een eerste laag. In elke laag werden op regelmatige afstanden horizontale gangen (stookkanalen) uitgespaard die tot aan de rand met kolen werden opgevuld.

In de stookkanalen stonden op regelmatige afstanden twee stenen op hun smalle zijde (zgn. mannetjes). Pas nadat twee lagen 'rauwe brieken' (= ongebakken klei) waren gestapeld werd het vuur (met houtskool) aangestoken in de stookkanalen. Als het vuur goed brandde werden de zgn. mannetjes eveneens verwijderd en het gat werd met eierkolen opgevuld. Dan werd verder gestapeld tot men zestal lagen had. De hele 'kubus' wordt bovenaan afgesloten met gebakken stenen.

Opzij werd alles dichtgesmeerd met klei vermengd met stro (behalve enkele trekgaten). Via de stookgangen kon men nog altijd brandstof bijvullen.

Men bouwde elke dag de veldoven met een zestal lagen (ongeveer 100.000 stenen per dag!) verder op. Wanneer het vuur 's morgens was bovengekomen, plaatste men weer enkel lagen 'groene' stenen (rauwe brieken) waartussen men kolengruis strooide. De zijkanten van de oven werd weerom afgeplakt met leem om de warmte en de giftige gassen binnen te houden. De tochtgaten werden niet toegemaakt omwille van de luchttoevoer.

Een veldoven bereikte vaak een hoogte van vijf meter en meer. De temperatuur in een veldoven liep op tot 800 à 1200° C (afhankelijk van het soort te bakken klei). Wanneer de oven na een tiental dagen was uitgebrand, werd hij 'afgepeld'. In de luchtkanalen van de uitgebrande oven huisden de wilde konijnen.

Steenbakkerstaal

De steenbakkers hanteerden een eigen vaktaaltje: "De kuiperman deed de klei in de kuip, de hagers plaatsten de strovlakens die gemaakt werden van roggestro, de hagebaas moest toezien dat de vlakens in de goede richting werden opgesteld, de briekevoerders reden de op maat gesneden kleistukken naar de oven, de worsteknipper knipte de klei die uit de kuip kwam op de gewenste lengte, de snijderman sneed de 'worst' op lengte van een steen, de aardeladers vulden de 'berlintjes' met klei, de brander had de zorg voor het goed branden van de oven." (Uit Heyst Leeft, jg. 5 nr. 3)

Warme bakkers

De brander was de onbetwiste chef van de veldoven. Hij had naam en faam, kende als geen ander het vuur en organiseerde het werk. Deze zeldzame specialist werd terecht goed betaald.

De bovengrond werd in de winterperiode afgevoerd. Dan was ook onderzocht of de kleilaag 'rendabel' was. Bij het begin van de campagne werd de klei uitgegraven. In onze contreien stootte men vaak op lagen schelpen, die uit de kleigrond werden verwijderd. In Heist werd o.m. aan weerszijden van de Moerstraat klei gedolven, in spoorwagentjes (=Berlintje) geladen en naar de kuip (doucheur) gevoerd om gemalen te worden.

Uit de kuip kwamen dan stukken van 1 à 1,20 m lang die op maat van een baksteen werden gesneden met een stalendraad. De kleistukken werden per + 20 op planken gelegd en met de kruiwagen naar de droogplaats gevoerd. Om te beletten dat de klei zou vastkleven werd er zand over gestrooid.

De hager haalt ongeveer 240 rauwe brieken van het berlintje haalt om ze te stapelen op de droogplaats.

De droogtijd liep meestal over 3 à 4 weken, naargelang het weer al dan niet gunstig was. Wanneer een te natte steen werd gebakken, ging die scheuren. De 'groene' steen werd eerst plat gelegd. Wanneer die zijde voldoende droog was, werd hij 'gekant' (= op zijn smalle zijde gezet) zodat ook de onderkant kon drogen.

Het branden (dat pas begon eind mei, na de laatste vorstnachten) was een erg delicate zaak: de vuurhaard moest zorgen voor de gloei en de rook die de stenen deed bakken. Een bakte bevatte ongeveer één miljoen stenen.

De brander had een heel grote verantwoordelijkheid en bij het branden sliep hij dan ook heel weinig, soms geen 6 uur op 24. De stenen moesten eigenlijk in 24 uur goed gebrand zijn.

Om het barsten te voorkomen werden de rauwe stenen tijdens het bakken bovenaan afgedekt met gebakken stenen als beschutting tegen te felle wind of zon en regen. Opzij werd als toegesmeerd met klei. De plakker was niet alleen verantwoordelijk voor het 'afplakken' van de oven, maar ook voor het aanbrengen van de kolen, het geven van drank (bier, water..).

Gewoonlijk werd de veldoven rondom afgeschermd met vlakens tegen de wind (stel je daarbij strandzeilen voor!). Soms moest dit ook 's nachts gebeuren.

De steenbakkers maakten lange werkdagen. In de week waren zij zeker op post van 6 uur tot 19 uur, op zaterdag van 6 tot 18 uur. Het werk was bijzonder hard: telkens de zware vlakens verzetten naar de wind, stenen 'blootsmijten' als 't droog weer was, ze opnieuw dekken als het regende, 's nachts opstaan als de wind van richting veranderde.