>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek

Bezoekerscentrum: 2000 jaar geschiedenis van de Zwinstreek

affiche-aan-het-filmzaaltje

Het Bezoekerscentrum werd geopend in 2006. Daar ontdek je op een multimediale wijze het verhaal van de boeiende en verrassende geschiedenis van 2000 jaar Zwinstreek, de regio waarvan de gemeente Knokke-Heist deel van uitmaakt.

In een klein gezellig filmzaaltje zorgt een animatiefilm met het been van een mammoet als rode draad en het mannetje Fonske en zijn schaap in de hoofdrolvoor een (grappige) introductie.

  • Aansluitend volgt een overzichtelijke uitleg over de evolutie van het landschap door de eeuwen heen.
  • De inpoldering begint vanaf de 11de eeuw daar de bevolking sterk toeneemt en er nood is aan meer landbouwgrond.
  • Tot aan Damme ontstaan kleine zwinhavens door het ontstaan van het Zwin als natuurlijke geul landinwaarts.
  • Een aantal oorlogen dompelt Zwinstreek vanaf het midden van de 16de eeuw in een diepe crisis. De fortenbouw viert hoogtij.
  • Na de Tachtigjarige Oorlog is het heropbloeien van landbouw en lokale visserij mogelijk.
  • Vooral door de urbanisatie van duin, schorre en slikke verandert het gezicht van de kuststreek aanzienlijk vanaf het einde van de 19de eeuw.
  • Door de opkomst en de bloei van het toerisme evolueert de Zwinstreek tot wat de regio nu is.

Naar de Evolutie van het landschap in de Zwinstreek

De toeristische start van Heist en Knokke

De Engelse toeristen liggen in het begin van de 19de eeuw aan de basis van het moderne kusttoerisme in Vlaanderen. In het Engeland van de 18de eeuw zijn kuuroorden enorm populair bij hogere klassen (adel en jonge industriëlen), die de plaatsen zowel voor een gezondheidskuur als voor het society-amusement bezoeken. Het grote succes leidt tot een tekort aan minerale bronnen en nadat alle kuuroorden volzet zijn, ontdekt men de zee. Jonge Engelse badsteden, zoals Brighton, spiegelen zich oorspronkelijk aan de traditionele kuuroorden, zoals Bath, maar gaan zich later op hun eigen manier ontwikkelen. Dijkpromenades en strandgenoegens worden er belangrijker dan de eigenlijke gezondheidskuur.

Voor de Engelsen is Oostende een belangrijke haven om hun continentale reis te beginnen. De grote toevloed Engelse toeristen (in 1750 waren er ca. 40.000 Engelse toeristen in Europa) groeit na 1815 nog aan met de battlefield tourists op weg naar het slagveld in Waterloo. De grote doorbraak komt er in 1834, toen koning Leopold I, die lange tijd in Engeland doorbrengt, Oostende verkiest voor een buitenverblijf.  Oostende wordt enkele jaren later zelfs rechtstreeks met Brussel verbonden door een spoorweg (1838), waardoor Oostende kan uitgroeien als eerste badstad aan de kust.

Daarna volgt Blankenberge, waar de betere kringen uit Brugge zich graag laten zien. De definitieve doorbraak voor Blankenberge komt er na 1863, toen ook Blankenberge wordt aangesloten op het spoorwegnet. Als derde badstad volgt Heist, vanwaaruit de toeristen enkele jaren later op een ezel Knokke ontdekken.

Mobiliteit en bereikbaarheid

Zowel voor Oostende als Blankenberge is het duidelijk dat de bereikbaarheid zeer belangrijk was voor de grote doorbraak. Ook Heist en - enkele decennia later - Knokke, kunnen pas toeristisch openbloeien nadat zij gemakkelijk bereikbaar worden. In 1868 wordt de spoorlijn van Blankenberge doorgetrokken tot Heist. Toeristen die naar Knokke willen, worden aan het station van Heist (vanaf 1885 op de plaats van het huidige infokantoor) met de koets afgehaald. Knokke wordt pas in 1890 rechtstreeks bereikbaar vanuit het binnenland door de tramlijn Brugge-Westkapelle-Knokke-Heist en krijgt pas in 1926 een eigen treinstation. Na de Eerste Wereldoorlog wordt de auto belangrijk. Knokke en Heist worden bereikbaar via twee grote invalswegen: de Kustweg en de Natiënlaan (1935). In 1929 krijgt Knokke zelfs een kleine luchthaven. Dit vliegveld ligt bij het huidige Zwinreservaat en verdwijnt in 1960.

Hotels en etablissementen

Vanaf 1860 is een stijgende toeristische activiteit vast te stellen in Heist. De eerste hotels verschijnen op de Heistse Zeedijk: de Pavillon du Phare (1867), het Kursaal (1867) en het Hotel de la Plage (1869).

De vroegste toeristische activiteit in Knokke bestaat uit toeristen die per ezel door de duinen of over het strand naar de vuurtoren van Knokke trekken (op het huidige Lichttorenplein). In de omgeving van de toren is een houten uitkijktoren gebouwd en kunnen de toeristen iets drinken in de etablissementen ‘Au Congo’, de ‘Pavillon du Phare’ en de ‘Marguerite’. Een groepje kunstenaars (met o.a. Alfred Verwee) verblijft regelmatig in het Hotel Prins Boudewijn (1889, bestaat nog steeds in het begin van de Lippenslaan). Op het einde van de toenmalige Zeeweg (huidige Lippenslaan) bouwt men het reusachtige Grand Hôtel (1890).

Strandplezier

De eerste toeristen komen naar de kust voor een gezondheidskuur. 's Morgens nemen zij een fris zeebad en overdag maken zij een lange wandeling in de duinen of op de dijk. Men neemt rustig de tijd om een kop koffie of thee te drinken. Het sociale aspect en het ontspanningselement worden vrij vlug belangrijker dan het gezondheidsaspect.

In de 19de eeuw is het zonnebaden helemaal niet in de mode want men verkiest een blanke huid boven een bruin (of roodgebrand) velletje. Pas in de jaren 1920 komt het eigenlijke zonnebaden in gebruik. Het nemen van een zeebad is oorspronkelijk een omslachtig gebeuren. De bader kleedt zich om in een badkar die door paarden in zee wordtgetrokken. Daarna komt de bader uit de badkar om in zee te plonzen. Het gemengde baden wordt als zeer gewaagd beschouwd en geeft dikwijls aanleiding tot enige hilariteit. Om zich letterlijk zo weinig mogelijk bloot te geven, gaat men oorspronkelijk in zee met oude afgedragen kleren. Omstreeks 1900 verschijnen de grote badkostuums uit één stuk. Naargelang het zonnebad belangrijker word en de puriteinse houding verdwijnt, vermindert het nodige textiel tot de bikini en de monokini.

1900-1914 - Badgasten zoeken gezondheid en vermaak
Sinds de 19de eeuw is het kusttoerisme grondig veranderd. De eerste binnen- en buitenlandse zomergasten komen voor de gezonde zeebaden. Nieuwe trein- en tramverbindingen lokken toeristen en investeerders. Naast de verharde zeedijk rijzen hotels op. Al voor de Eerste Wereldoorlog zijn de dorpen tot echte badplaatsen uitgegroeid.

1914-1940 - Het toerisme verdringt de visserij
Na de oorlog stijgt het aantal badgasten. Zonnebaden komt nu ook in trek. De kustweg, een treinstation, zelfs een vliegveld maken Knokke beter bereikbaar. Door de invoering van het betaald verlof kan de middenklasse nu ook met vakantie. Maatschappijen bouwen villa's, vakantiewoningen en een mondain casino. De visserij maakt meer en meer plaats voor toerisme en horeca.

1940-1960 - Bezoekers brengen bedrijvigheid en expansie
Na 1945 schept het massatoerisme werkgelegenheid en veroorzaakt het een forse bevolkingsstijging, met nieuwe eigenaars, personeel, winkeliers, restaurant- en caféhouders. Vakantiewoningen nemen de plaats in van hotels. Terrassen vullen de promenades op de zeedijk. Het Zwin wordt uitgeroepen tot eerste Belgische natuurreservaat.

1960-…. - Een tweede woonst aan de kust wordt populair
Knokke en Heist blijven groeien, ook wanneer de Belgen vanaf 1960 massaal met vakantie gaan naar het buitenland. De hotelkamers zijn gehalveerd, maar het aantal flatgebouwen en villa's stijgt. Verkeersluwe zeedijken zijn ingeruimd voor wandelaars, fietsers en skeelers. De zomer blijft het topseizoen, maar het winter- en weekendtoerisme wordt ook aantrekkelijk.

Amusement

De vroegste toeristen in Heist amuseren zich met het gadeslaan van de vertrekkende en aankomende vissersschuiten op het strand. Er worden zelfs boottochtjes georganiseerd voor toeristen. Andere bezigheden zijn de tochtjes per ezel, het bouwen van zandforten, alle mogelijke balspelen op het strand... Geleidelijk aan groeit naast het eigenlijke strandleven een toeristisch amusementsaanbod. Hierbij spelen de grote hotels en het Kursaal (Heist) of Casino (Knokke) een grote rol. Daar organiseert men 's avonds danspartijen en concerten. Overdag speelt men golf (in Knokke vanaf 1899) of tennis (in Knokke vanaf 1910). Beide sporten worden door Engelse toeristen geïmporteerd.

Een bijzondere attractie in Knokke waren de wafels van Moeder Siska. 's Avonds kon men geregeld naar het vuurwerk kijken.

Urbanisatie | Startpagina | Terug naar het overzicht

Grootscheepse verkavelingen in de 19de eeuw

In de tweede helft van de 19de eeuw doet het toerisme zijn intrede. Eerst in Oostende. Daarna schuift het oostwaarts via Blankenberge naar Heist, bekend voor familievakanties, ook bij buitenlanders. Knokke is dan een trefplaats voor uitstapjes te voet of met de ezel. Ontwikkelingsmaatschappijen bouwen er in de 20ste eeuw een riante badstad. Veel stedelingen op zoek naar gezonde zeelucht en vermaak komen zich vestigen in Knokke of hebben er een tweede woning.

Er wordt eerst gewerkt aan het verbeteren van de algemene infrastructuur: plaveien van de straten, aanleg van riolering, openbare verlichting… Een belangrijk toeristisch luik hiervan was de bouw van een mooie en brede stenen zeedijk. In Heist beginnen de werkzaamheden in de periode 1867-1874 en in Knokke vanaf 1890. De bestaande dorpskernen van Heist en Knokke worden te klein voor het stijgend aantal toeristen. In Heist verschuift het dorp in noordelijke richting naar de zee toe. In 1875 wordt daar een nieuwe en grotere kerk ingewijd.

In Knokke wordt een groot gebied in de omgeving van de huidige Lippenslaan aangekocht door het consortium Verwee-Van Bunnen-Dumortier. Zij geven architect Baes de opdracht om een mooi plan voor het gebied te ontwerpen. Het fantastische plan, met veel exotische en oosterse invloeden, wordt nooit uitgevoerd (Prent plan Jean Baes). Daarna worden in het gebied een aantal straten in een dambordpatroon getrokken.

Prent plan Jean Baes
Tekening van de Brusselse architect Jean Baes in Le Globe Illustré (1887). Baes wil geen lintbebouwing in Knokke, maar een plein met een kursaal in Moorse stijl, naast een vuurtoren en een pier, en daarrond in de duinen een villapark. Het plan is nooit uitgevoerd, maar urbanist Stübben neemt het villa-idee later over in 'Het Zoute'.

De Duitse urbanist Joseph Stübben krijgt in 1901 de opdracht om in het duinengebied tussen Heist en Knokke een tuin-badplaats te ontwerpen. In 1902 wordt die badplaats officieel ingehuldigd en kreeg het de naam Duinbergen.

De Compagnie du Zoute wordt in 1908 opgericht en volgde het geslaagde voorbeeld van Duinbergen. Architect Stübben krijgt de nieuwe opdracht om Het Zoute te ontwerpen. De huidige villawijk Het Zoute wordt nog steeds gekenmerkt door een aantal uitgangspunten van Stübben: veel groen, huizen gebaseerd op de Vlaamse hoevestijl (witgeschilderde muren, rode of rieten daken…), een hiërarchie van wegen (brede en rechte wegen t.o.v. kleine kronkelende paden), behoud van de natuurlijke niveauverschillen…

Het urbanistisch sluitstuk wordt gevormd door de aanleg van de baai van het Albertstrand, die ontstaat toen de beschadigde dijk tussen Knokke en Duinbergen 80 meter landinwaarts worden aangelegd. In het gebied achter de dijk wordt het Zegemeer gegraven (1924) en bouwt men het prestigieuze Pavillon du Lac (1926 - op de plaats van het huidige hotel La Réserve) en het Casino (1930).

Plannen en gebouwen

Stedebouwkundige plannen

Plan Knokke-centrum
Verkavelingsplan van het centrum van Knokke door het consortium Verwee, Van Bunnen en Dumortier. De ontwikkeling begint al op het einde van de 19de eeuw: het eerste verkoopkantoor dateert van 1888. Langs de grote assen, Leopoldlaan, Lippenslaan, Kustlaan en Dumortierlaan, liggen de straten in dambordpatroon.

Plan Société Anonyme de Duinbergen
De Duitse stedenbouwkundige en architect Joseph Stübben ontwerpt een tuinwijk voor de Société Anonyme de Duinbergen (1901). Hij spaart de duinen en bouwt er vrijstaande villa's volgens een stratenplan dat aansluit bij het landschap.

Plan Compagnie Immobilière le Zoute
Aangemoedigd door de succesvolle verkaveling van een duingebied door de groep rond kunstschilder Verwee bouwt de Compagnie Immobilière le Zoute (1908) van de familie Lippens in de Zoutepolder een “cité jardin” met villa's en sportterreinen voor een kapitaalkrachtig publiek.

Plan Société Anonyme Knocke-Duinbergen "Extension"
Het duingebied tussen het zich snel ontwikkelende centrum van Knokke en het jonge Duinbergen wordt vanaf 1920 verkaveld door de Société Anonyme Knocke-Duinbergen "Extension" rond de Antwerpse familie Nellens. In 1925 wordt de zeedijk landinwaarts heropgetrokken en ontstaat er een mooie baai met het Albertstrand.

Plan Société Immobilière Albert-Plage
De Société Immobilière Albert-Plage graaft in 1924 het "Zegemeer" en bouwt er een hotel, Pavillon du Lac, in 1948 omgevormd tot La Réserve. In 1930 bouwt architect Leon Stijnen bij het Albertstrand een casino, waar internationale artiesten optreden. Na de Tweede Wereldoorlog maakt Gustave Nellens er een cultuurtempel van.

 

Maquettes van huizen

Le Paquebot - 1934
Sparrendreef, Knokke - architect Louis Herman De Koninck
Villa in cottage-stijl
Begin jaren 20 - Ysayelaan, Knokke - architect Florimond Vervalcke
Zwart Huis - 1924
Dumortierlaan, Knokke - architect Huib Hoste

De landbouw en de visserij vanaf 1650

Na de oorlogen van de Spaanse tijd komt er in de 18de eeuw onder Oostenrijks bestuur een landhervorming. Om te voorzien in de behoeften van de groeiende bevolking wordt het Zwingebied verder ingepolderd. Naast de aloude schapenteelt komt er intensieve landbouw met nieuwe gewassen als koolzaad, aardappelen en suikerbiet. In de 18de en 19de eeuw wordt de afwatering van de polders gemoderniseerd.

Schapenteelt
Schapen begrazen de pas bedijkte schorren en bemesten de grond met hun uitwerpselen. De beste schaapherders komen uit de Kempen of Limburg. De kustbewoners noemen ze Duitse schapers en verdenken ze van tovenarij. De schapenteelt neemt echter gestaag af en is halfweg de 19de eeuw bijna verdwenen.

Kaart Hazegras 1784
In 1784 voltooit landmeter Lippens de bedijking van de Hazegrasschor. Zoals gebruikelijk sinds 1600 zijn de kavels er groot en rechthoekig. Autonome instellingen, de Wateringen, onderhouden de dijken en de afwatering met een jaarlijkse belasting van de grondeigenaars. Lippens bedijkt ook de Zouteschor, waar later onder impuls van de Lippensfamilie de villawijk Het Zoute wordt gebouwd.

Kaart Willem Leopoldpolder
De aanleg van de Internationale Dijk in 1872 is een gemeenschappelijk project van het inmiddels onafhankelijke België en Nederland. De nieuw gewonnen Willem Leopoldpolder strekt zich uit over de kuststroken van beide landen. Hiermee zijn de laatste stukjes schor ingepolderd en is de Zwinmonding bijna volledig afgesloten. Voormalige zeedijken zijn nu binnendijken.

landmetersgerief_web_klein

Landmeter Lippens
De Moerbeekse Philippe-François Lippens (1742-1817) is een befaamd landmeter en dijkgraaf. Hij is ook een deskundig ontwerper van waterwerken. Hij koopt en bedijkt enkele gebieden in de Zwinstreek, waaronder de Hazegras- en Zouteschorren en beschrijft zijn ervaringen in zijn dagboeken.

Landmetersgerief (19de eeuw)

Audiofragment (tekstweergave)
Dit jaar, 1790, is een zeer gelukkig jaar voor mij. De andere jaren zijn ook goed geweest, zeer goed zelfs, maar zeer druk. 'k Ben 48 nu. Ik voel me niet oud, maar het doet toch deugd om het wat kalmer aan te doen. Een beetje meer thuis werken, wat meer bij mijn vrouw en kinderen, die anders toch vaak alleen achterblijven. Ik ben landmeter en zo moet ik vaak op stap: opmetingen in de haven van Oostende, de kanalisatie van de Zenne in Henegouwen, inspectie van de Krankloonpolder in Beveren-Waas... Waterwerken zijn mijn specialiteit.

Soms ga ik met de koets, soms over het water, met de trekschuit. Als ik mijn dagboeken van de afgelopen jaren herlees..."soupé en logé thuys", ach, het staat er zelden in.

1784, dat was een belangrijk jaar: toen heb ik met mijn neef De Bock een groot deel van de Hazegrasschor gekocht. Ik moest het indijken. Eerst de plannen, de vergaderingen, de voorbereidingen en dan eindelijk het werk op 't schor zelf.

Ik lees het hier in mijn dagboek, op13 juli: ten 2 uren s morghens met 7 ploegen ofte 24 spaeden begonnen het groot gat te sluyten. Ten 5 uren het waeter gedempt en gereden tot den 10 uren, alswanneer het waeter begon te vallen." Altijd een schoon moment! 'k Heb later op de Nieuwe Hazegraspolder koolzaad en gerst gezaaid voor de verkoop. 't Is mijn belangrijkste bron van inkomsten geworden.

Soms spande het er om. Nog geen maand na de indijking kwam boer Huybens me wekken. De Hollanders hadden langs Sluis zeewater gestoken. Met man en macht hebben we toen de gaten gestopt om het zoute water tegen te houden. En daar is het niet bij gebleven. Van het gouvernement moest ik de grens gaan inspecteren. Want daar draaide 't allemaal om. De Hollanders en de Oostenrijkers maakten ruzie over de grens.

Mijn werk op 't Hazegras was een succes. Ik heb dan nog meer schorren gekocht en ingedijkt: de Ferdinanduspolder in Moerbeke, een deel van de Hoofdplaat in IJzendijke, de Commandeursplaat en de Zouteschor bij Knokke. Ben eens benieuwd wat mijn nageslacht ermee zal aanvangen!

Van schor tot polder

Ontzilting
De regen spoelt het zout weg uit de bedijkte schor. Grazende schapen en vee bemesten de grond met hun uitwerpselen en stimuleren de plantengroei.

Afwatering
Het overtollige water wordt afgeleid via greppels, sloten en kanalen. De afwatering veroorzaakt verzakking of inklinking van de bodem.

Eerste teelten
Alleen het dunne, vruchtbare sliblaagje wordt omgeploegd. De eerste teelten zijn koolzaad en wintergerst. Die groeien ook op arme gronden en verrijken er de bodem.

Vruchtbare polder
De teelten worden uitgebreid naar tarwe, bieten en aardappelen. Het waterniveau wordt geregeld door de afvoer van overtollig regen- en oppervlaktewater.

Oorlog verscheurt de Zwinstreek | Urbanisatie

De Tachtigjarige Oorlog

In de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) vormt het Zwin een frontlinie tussen de Spaanse troepen, gelegerd in de Zuidelijke Nederlanden, en het Staatse leger van de Noordelijke Nederlanden. Een geducht wapen van beide partijen is het doorsteken van de dijken. Deze inundaties richten grote vernielingen aan in de polders. Het verkeer op het Zwin wordt bemoeilijkt door de aanleg van vestingen en forten op beide oevers. De Vrede van Munster in 1648 erkent de militaire linie als staatsgrens. Nu nog vormt ze de grens tussen België en Nederland.

Maquette Fort Isabella

De Spanjaarden bouwen het Isabellafort in 1622. Het is een typisch voorbeeld van de nieuwe vestingbouw van de Tachtigjarige Oorlog. De bastions op de aarden wallen worden zodanig opgetrokken dat het onmogelijk is om het veelhoekige fort ongemerkt te naderen. Buiten de gracht ligt het glacis, een boomloos, zacht hellend vlak waarop de aanvaller geen dekking vindt. De verdediger van de vesting kan zich ongemerkt opstellen en verplaatsen achter de wallen aan beide zijden van de gracht.

Soldaten

Musketier
Musketiers rukken op naast de piekeniers. Hun musketten zijn zware en riskante vuurwapens. Het laden van een musket duurt bijna twee minuten. Daarom moeten de musketiers elkaar voortdurend afwisselen.

Piekenier
Piekeniers zijn elitetroepen en krijgen meer soldij. Hun belangrijkste wapen is een houten lans van vier tot vijf meter lang met een ijzeren punt. Als bescherming dragen ze een kuras met ijzeren platen die hals, borst, rug en dijen bedekken.

Rondassier
Rondassiers zijn de stoottroepen van de infanterie. Ze dragen een zwaar, rond ijzeren schild en een slagzwaard. Ze vormen de lijfwacht van de bevelhebbers van de Staatse troepen en worden tijdens een veldslag ingezet waar de strijd het hevigst is.

Helmen en kogels

Gesloten helm

Spaanse morion helm

Cabasset helm

Kanonskogels

zeeslag-voor-sluis-1603Zeeslag bij Sluis (1603)

De met roeiers bemande Spaanse galeien, onder commando van Spinola, profiteren van de windstilte om aan te vallen. Maar de Staatse vloot, bestaande uit enkele galeien en meerdere zeilschepen, kan de aanval afslaan met hulp van admiraal Haultain uit Vlissingen.

Kaart Lucas Horenbault
De Zwindijken zijn kwetsbaar voor sabotage. Strategisch doorgestoken dijken veroorzaken inundaties. Deze overstromingen veroorzaken veel schade aan de landbouw in de polders. De kaart toont de situatie begin 17de eeuw, net voor de twaalf jaar durende wapenstilstand van1609 tot 1621.

Penningen
Grote penning Sluis 1604

Kleine penning van Sluis

Flandria Borealis
De gravure toont de reikwijdte van het strijdtoneel in 1604. Achthonderd Staatse schepen landen bij Cadzand om Oostende terug te winnen. Na een mislukte poging maken de Staatse troepen een omtrekkende beweging en veroveren achtereenvolgens Aardenburg en Sluis. Oostende blijft echter in Spaanse handen.

Slusa Expugnata
De kaart van Blaeu dateert uit 1649, maar verhaalt het beleg van Sluis in 1604. De Staatse troepen sluiten de stad af met een gordel van versterkingen. Ze blokkeren de uitweg langs het Zwin met hun schepen en hongeren de Spaanse bezetter uit. Bij hun aftocht laten de Spanjaarden in Sluis zo'n 1400 uitgemergelde slaven achter.

Caerte van 't Vrye
Na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) leggen de Spanjaarden zich nog niet neer bij het verlies van Sluis. Om hun troepen snel naar het front over te brengen, graven ze in 1622 buiten het bereik van de Staatse forten een doorgang naar het Zwin: Des Vyants nieuwe vaert. Enkele forten (de nummers 8 tot 16 op de kaart) verkeren in slechte staat.

Kaerte van Sluys, het Zwin ende de Schansen aen weder Syden
In 1627 graven beide partijen zich in rond Sluis en op de oevers van het Zwin. Op de linkeroever bereiden de Spanjaarden een aanval op Cadzand voor en verdedigen ze zich tegen de rooftochten van de “moeskoppen”, die de oogst komen stelen. Op de rechteroever zijn de Staatsen op hun hoede voor een Spaanse inval.

De Zwinhavens | Heropbloei in de Zwinstreek