Johan Termote schetst in het boek 2000 jaar Zwinstreek (Mappamundi Knokke, 1985) het ontstaan en de stadsontwikkeling van Damme

1. Inleiding

De stad Damme, in de 13de eeuw één van de belangrijkste havens van West-Europa, kreeg reeds heel wat aandacht van de historici. Aan het ontstaan van de stad zijn reeds enkele bijdragen gewijd. Het aspect stadsontwikkeling is echter tot nog toe weinig of niet bestudeerd. Eén van de redenen hiervoor was het ontbreken van precieze geologische gegevens in de binnenstad. De bodemkartering liet immers, gezien het opzet, geen onderzoek toe binnen de bebouwde zone. De historisch-geografische studies behandelden dan ook de occupatie- en bedijkingsgeschiedenis van de Zwinstreek en schonken minder aandacht aan de microregio van de stad Damme, die nochtans een knooppunt in deze problematiek vorm de. Een gunstige wending kwam er naar aanleiding van het archeologisch noodonderzoek door de Nationale Dienst voor Opgravingen met medewerking van het gemeentebestuur van Damme in de zomer van 1984 uitgevoerd op de weide Solvay (fig. 2.10). De eerder verrassende en complexe gegevens toonden duidelijk de noodzaak van een interdisciplinaire aanpak van het probleem.

Een vernieuwde geologisch onderzoek o.l.v. Drs. Fr. Mostaert van de Gentse Rijksuniversiteit binnen de bebouwde kom van Damme vormde de noodzakelijke basis, die vervolgens door werfcontroles, archeologische waarnemingen en door een herziening van de archivalia en de talrijke cartografische documenten aangevuld werd. Voor dit laatste konden we rekenen op de daad werkelijke hulp van de Heren M. Coornaert en R. De Keyser.

Hoewel dit gezamenlijk onderzoek nog niet afgerond is, zijn de grote lijnen van de topografische groei van Damme duidelijk. We willen hier dan ook de eerste, voorlopige gegevens meedelen van de ontwikkeling van deze havenstad, die in de l3de eeuw het economische zwaartepunt van de Zwinstreek vormde.

2. Het ontstaan van Damme

De stad Damme dankt zijn ontstaan aan een gelukkige samenloop van een reeks historische en geologische feiten.

Na de zgn. Duinkerke III A -transgressie in de 1ste helft van de 11de eeuw werd het gebied ten oosten van Brugge terug door de mens ingenomen en nog vóór 1134 door een dijk tegen de zee beschermd. Het zuidtracé van deze dijk, dat nu nog bewaard is in de Krinkeldijk en de Rombautswervedijk, volgde gezien het grillige verloop, vermoedelijk een kreek van het uitgestrekte schorregebied ten zuiden. Over het eindverloop van de dijk zijn de meningen nog verdeeld. Vermoedelijk liep hij tot tegen de zandige opduiking van de Gapaard, gelegen ca. 1200 m ten zuidoosten van het huidige Damme. De bedijking had een belangrijk gevolg: Brugge verloor zijn rechtstreekse verbinding met de zee en was voortaan voor zijn handel aangewezen op het krekensysteem ten noordoosten van de stad. Als eerste in de rij van de kunstmatige verbindingen, mogelijk ter vervanging van de waterloop de Scheure, werd het kanaal van het Oude Zwin gegraven, die in een eerste fase vermoedelijk slechts tot “ten Peerbome”, liep om van daaruit de bedding van de Municareda te volgen tot het sas in de Romboutswervedijk.

In 1134 sloeg de zee opnieuw met volle kracht het schorregebied binnen en schuurde hierbij de hoofdkreek verder uit tot tegen de kreekrug van de Gapaard. Hierdoor ontstond het Zwin, dat het landschap en het economisch leven van de streek voor de volgende eeuwen diepgaand zou bepalen.

Het schorre-slikgebied in de driehoek Sluis-Damme-Den Hoorn werd stapsgewijs ingepolderd. Zowel betreffende het tijdstip en de volgorde van de dijkaanleg, als betreffende het verloop van sommige dijken blijven heel wat vragen open. Enkele elementen wijzen erop dat het gebied vrij goed toegankelijk bleef en nauwelijks nog aan opslibbing onderhevig was.

De eerst aangelegde dijken zoals de Branddijk (lig. 1.4)en de Zuiddijk waren dan ook preventieve dijken waarmee men een passieve inpoldering beoogde, door de toevoer van zoutwater via de kreken af te snijden. De Oude Sluissedijk — door P. Pourbus op zijn kaart van het Brugse Vrije (1571) “Zuuddyc,, genoemd — is daarentegen duidelijk een offensieve dijk, die verschillende nog actieve kreken afsloot. Deze aanpak zou ook de afsluitdijk over de Zwinsgeul kenmerken.
Dit wettigt o.i. de mogelijkheid dat de Oude Sluissedijk, gelijktijdig met, of zelfs vóór de dam aangelegd werd.

Dit laatste zou dan het geval zijn wanneer we de Nederen Bruggeweg als het verlengde van deze dijk beschouwen. Het opwerpen van de dam, die het Zwin afsloot, en waaraan de stad zijn naam dankt, is voor 1180 te plaatsen, tijdstip van de eerste vermelding van de nederzetting “Ten Damme.

Het bodemkundig onderzoek liet niet alleen toe het verloop van de Zwinskreek onder de stad te reconstrueren maar tevens de ligging van de afsluitdijk met zekerheid te bepalen. Deze valt samen met de huidige Kerkstraat wat op grond van het stratenverloop en enkele archivalische vermeldingen reeds kon vermoed worden. De eigenlijke kreek werd afgesneden ter hoogte van de markt en het stadhuis, die juist aangelegd zijn op bredere dijkverloop op die plaats.

De inplanting van de dam speelde duidelijk in op het toenmalige landschap. De dijk zette aan van op de Romboutswervedijk, liep over naar een hoger gelegen schorre en damde de tussenliggende geul af op een plaats waar deze nog bevaarbaar maar minder krachtig was.

Talrijke bronnen wijzen erop dat het schorre-slibgebied langs de Zwingeul grafelijk bezit was. De 14de eeuwse Chronicon Comitum Flandrensium vermeldt hoe graaf Filips van den Elzas bij het vredesverdrag van 1180 van graaf Floris van Holland een duizendtal dijkwerkers opeiste om dijken in de streek van Damme en Brugge aan te leggen. In het eigenlijke verdrag, dat uit 1167 dateert, is hiervan echter niets terug te vinden.

Het feit dat de stad Brugge het kanaal van de Reie tussen beide steden, alsook het sas van de Speie in de dam in bezit had, wijst erop dat de dwarsdijk en de Reie op hun kosten werden aangelegd na aankoop van de grafelijke grond. Beide partijen hadden hier immers direct belang bij. Brugge had voor zijn handel nood aan een eigen en doelmatige verbinding met de zee ter vervanging van het kanaal van het Oude Zwin.

Graaf Filips van den Elzas van zijn kant kon door het stimuleren van de handel nieuwe inkomsten voor de schatkist creëren. Vermoedelijk juist naar aanleiding van het tot stand komen van het kanaal met Brugge, begiftigde de graaf de nederzetting “ten Damme.. met stadsrechten en vrijstelling van tol.

Dit kaderde in de economische politiek van de graaf om langs de toenmalige Vlaamse kust de bouw van een reeks nieuwe voorhavens te stimuleren ter vervanging van de oude havens op de rand van Duinkerke II overstromingsgebied. Het grafelijk privilegie. de uitstekende haven en de vlotte verbinding met de internationale handelsstad Brugge vormden de basis voor de opbloei en de welvaart van Damme in de volgende eeuw. Toch waren de kiemen van het verval reeds aanwezig. Door het afsluiten van de verschillende geulen kwam in de Zwinsgeul een grote hoeveelheid vloedwater tot stilstand waardoor een sedimentatieproces op gang kwam, die reeds binnen de eeuw elke vlotte verbinding met de stad zou onmogelijk maken.

3. De stedelijke ontwikkeling van Damme

In de groei van de stad Damme kunnen we twee grote fasen onderscheiden. Tot het midden van de 13de eeuw greep de uitbreiding achter de dam en de Oude Sluissedijk plaats. In de 2de helft van de 13de eeuw werd gelijklopend met de verdere indijking van de Zwingeul gronden achter de dam ingenomen.

A. Het eerste stadsareaal

De eerste nederzetting was vermoedelijk een vissernederzetting, die hier kort na het opwerpen van de dam, ca. 1170 (?) tot stand kwam. De haringstapel, die waarschijnlijk reeds in 1180 door de graaf aan Damme verleend werd, zou hier een reminiscentie van kunnen zijn.
Na het graven van de Reie evolueerde de nederzetting vrij vlug tot een bloeiende handelsnederzetting.

Het oorspronkelijke stadsareaal was ten noorden begrensd door de Kattestraat — de vroegere Vleeshouwersstraat — , ten westen vermoedelijk door de perceelgrens van de verdwenen beek van het molenwater, ten oosten door de Kerkstraat en ten zuiden door het kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

In dit stadsgedeelte vinden we de oudste monumenten die Damme rijk is, namelijk het Sint-Janshospitaal gesticht vóór 1249 en de Onze-Lieve-Vrouwekerk, waarvan de oudste gedeelten tot 1210-1220 teruggaan. Uit een grafelijke schenkingsakte van 1267 weten we dat tussen de Zuiddijk van de Reie — de huidige Speiestraat — en de Vleeshouwersstraat nog een uitgestrekt slikgebied van de Oude Zwinsgeul lag. De beek, die de westzijde afsloot gaat vermoedelijk terug tot een kleine kreek en is duidelijk op de kaart van J. Van Deventer te zien. Nu echter is de bovenloop enkel nog in de perceellering te onderscheiden maar de benedenloop vormt nog steeds de gracht ten westen van het kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

De eerste portus kunnen we dan ook in de oksel van de Kerkstraat en de Kattestraat situeren. Ten zuiden ervan lag de kerk of kapel toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, die in oorsprong waarschijnlijk tot de parochie Oostkerke behoorde maar reeds in het begin van de 13de eeuw tot een afzonderlijke parochie evolueerde onder het patronaat van de abdij van Saint Ouentin-en- l’Isle.

Ook de Katarinakerk wordt in deze periode aan de landzijde van de Oude Sluissedijk opgericht.
De afgelegen ligging laat vermoeden dat hier de verdere stadsuitbreiding gepland werd, die echter door het vrijkomen van beter gelegen gronden geen doorgang vond.

Mogelijk ontstond ook ten noorden van de Reie een bewoningskern, maar aanwijzingen hiervoor ontbreken vooralsnog. Aan de zeezijde van de dam lag een ruime aanlegplaats, die bij de tijdgenoten de nodige bewondering verwekte. Wanneer de Franse koning Filips August, tijdens zijn strafexpeditie in 1213 de stad veroverde, meldde zijn verslaggever Willem de Bretoen, hoe de 1700 schepen tellende Franse vloot in de haven kon schuilen.

B. De stadsuitleg in de tweede helft van de 13de eeuw

Om aan de vraag naar de bouwgrond en een betere haveninfrastructuur van de steeds sneller groeiende handelsplaats tegemoet te komen werden in de tweede helft van de 13de eeuw ook gronden over de dam ingenomen. De natuur stak hier een handje toe. De opslibbing liet toe dijken op te werpen langs weerszijden van de eigenlijke Zwinsgeul. De zuidelijke dijk werd gevormd door de huidige Jacob van Maerlantstraat, de vroegere Hoogstraat. Het geologisch onderzoek, enkele archivalische gegevens, de straatnaam, het hoge straatpeil en waarnemingen bij bouwwerken leveren evenveel argumenten om de oorspronkelijke dijkfunctie van deze straat te bevestigen. Zijn tegenganger, de noordelijke dijk is grotendeels door de latere kanaalaanleg verdwenen. De aanzet ervan is nu nog bewaard in het begintracé van de huidige Slekkestraat.
De stadsplattegronden van J. Van Deventer en P. Pourbus (Kaart van de wateringen van den Broucke en Moerkerke Zuid over de Leie, 1574), laten zien hoe de straat naar het noorden afweek waar het vermoedelijk op een — nu afgegraven — dijk onder de Romboutswervedijk aansloot.

Het tijdstip van deze dijkenaanleg blijft een probleem; we beschikken enkel over een terminus ante quem van eind 14de eeuw, toen de zuidelijke dijk door de tweede stadsomwalling afgesneden werden. Het opwerpen kunnen we o.i. rond het midden van de 13de eeuw situeren.

Door de bedijkingen kwamen twee grote bouwarealen vrij die alvorens in gebruik te worden genomen vermoedelijk werden opgehoogd. De langwerpige bouwpercelen en de stratenaanleg haaks op de dijk, die nu nog te zien is, wijst op een geplande verkaveling. Tegen de dijk werden de koopmanswoningen met achterliggende stapelplaatsen opgericht. De Jacob van Maerlantstraat heeft dit beeld trouwens wonderwel weten te bewaren.

Ook tegen de “noorddijk,, laten de l6de eeuwse stadsplattegronden een dergelijke uitbouw zien. In de hoek met Kerkstraat legde men, als tegenganger van de markt voor de halle, de Koornmarkt aan.

Bovendien kwam ook aan de westzijde van de dam nog grond vrij. Hierover zijn we goed ingelicht dankzij de reeds vermelde schenkingsakte uit 1267 waarbij gravin Margaretha van Constantinopel naast de grafelijke watermolen, het slikgebied tussen de Kerkstraat, de Speiestraat, de Vleeshouwersstraat en de dijken van het molenwater als bouwgrond afstaat.

De stad diende wel op eigen kosten het terrein voor woningbouw en straataanleg bruikbaar te maken.
In deze periode komt ook de rechtstreekse verbinding met de stad Gent tot stand. Het kanaal van de Lieve, die in een eerste fase naar Aardenburg liep, werd in 1262 naar Damme afgetakt waar het met het Zwin in verbinding stond. Over de loop van het kanaal binnen de nieuwe stadsuitbreiding is weinig met zekerheid bekend. De stad Damme bereikte op het eind van de 13de eeuw zijn grootste uitbreiding. Dit viel samen met het hoogte punt van de economische activiteit in de stad.

4. De laatmiddeleeuwse stadsomwallingen

Tot dan toe was Damme een open gebleven stad. Het conflict tussen de Franse koning Filips de Schone met zijn leenheer, de graaf van Vlaanderen Guy van Dampierre, zou hierin verandering brengen. De Annales Gandenses vermelden hoe de stad, in 1297 door de Fransen veroverd, door Robrecht van Bethune ontzet en versterkt werd. In 1298 werden deze werken trouwens verdergezet.

Betreffende deze omwallingen kunnen enkel de archieven en vooral de 16de eeuwse stadsplattegronden ons nog inlichten. Hieruit blijkt dat een 2-tal opeenvolgende omwallingen werden gerealiseerd.

Pieter Pourbus schildert op zijn stadsplannen van 1571 en 1574 aan de noordkant van de stad een dubbele grachtengordel die hij de “oude vest van Damme,, noemt. De omwalling ligt gedeeltelijk achter de Romboutswervedijk en sluit met de west- en oostzijde haaks op het Zwin en de Reie aan. Ook om de Katarinakerk ligt een “veste,,, die opnieuw via een dubbel gordel op het kanaal van de Lieve aansluit.

Het feit dat de omwalling direct inspeelde op gegevens in het terrein zoals dijken en waterlopen, laat vermoeden dat het hier om een eerste en inderhaast opgeworpen verdedigingsgordel gaat, aangelegd in de eerste fase van het conflict.

De eigenlijke stadsomwalling, die naar de schaarse archiefvermeldingen te oordelen eind 14de/begin 15de eeuw werd gerealiseerd, omsloot zorgvuldig het bewoningsareaal zoals het toen tot stand was gekomen. Ze had enkele belangrijke wijzigingen aan de uitgangswegen en de haven tot gevolg. Zo werd de doorgang van de Kerkstraat onderbroken en omgelegd via de Katerinapoort. Ook de Zuiddijk van het Zwin werd afgesneden. Het lijkt er bovendien op, dat juist naar aanleiding van de laatste versterkingswerken de Zwinsgeul nogmaals vernauwd werd door de aanleg van dijken of kaden, die nu samenvallen met de huidige Speiestraat en de Slekkestraat. Wellicht maakte de voortschrijdende verzanding de bouw ervan noodzakelijk. Het terrein tussen de Speiestraat en de Hoogstraat bleef echter tot het eind van de middeleeuwen grotendeels als een slikke bewaard. Dit blijkt uit het kaartmateriaal en is door het recente onderzoek bevestigd.

Deze nieuwe dijken vormden de aanzet tot de laatste fase van de inpoldering van de Zwinsgeul, die nu als het ware tot een breed kanaal tussen twee evenwijdige dijken vernauwd werd.

5. De waterwerken ná 1300

Voor de stad Damme was eind 13de-begin 14de eeuw de bloeiperiode voorbij. Het zwaartepunt van handel verschoof geleidelijk naar de meer zeewaarts gelegen Zwinsteden. Vooral de nederzetting Lamminsvliet, het latere Sluis, gelegen aan de monding van het Zwin, haalde hier uit voordeel. Het kreeg zeker voor 1290 stadsrechten en nam vanaf het begin van de l4de eeuw de rol van Damme als voorhaven van Brugge over. De enkele havenwerken binnen de stad Damme bestonden dan ook uit een reeks wanhopige pogingen door de stad Brugge om de haven operationeel te houden. Hierin kaderde o.m. de aanleg van het “Nieuw Gedelf,, in het midden van de l4de eeuw. De nieuwe waterweg vormde een omleiding op de Zwin-Reie waterweg en liet niet alleen de noodzakelijke onderhoudswerken aan de Reie en de Speie toe maar verhoogde bovendien de havencapaciteit. Het “Nieuwe Gedelf” vertrok op de Reie voor de Gapaard, omsloot de Noordpolder of Zeuge, liep door de noordhelft van de stad waar hij tenslotte in het Zwin uitmondde. Het restant van de oorspronkelijke bovenloop is nog te zien op de kaart van J. Van Deventer. Al deze aanpassingswerken leverden niet het gewenste resultaat. De vaargeul stremde verder dicht en ondernemingen in de daaropvolgende eeuw om door spuien of baggeren de waterweg open te houden mislukten eveneens.

De ultieme oplossing voor Brugge om zijn verbinding met de zee te behouden lag er tenslotte in een totaal nieuwe verbinding met Sluis aan te leggen. Na heel wat beslommeringen startten de graafwerken en kwam tussen 1548 en 1564 de Verse Vaart (of Zoete Vaart) tot stand, die te Damme op het kanaal van het Nieuwe Gedelf geënt werd. Wanneer Brugge echter, in 1566-68 door het hergraven van het Oude Zwin en de Monnikerede een rechtstreekse verbinding met dit kanaal realiseerde werd het deel van de Verse Vaart tussen de monding van de Monnikerede (Bekaf) en Damme afgesloten.

Voor de stad was meteen elke hoop op een heropleving vervlogen.

6 Damme als gebastioneerde vesting

Had Damme op het eind van de Middeleeuwen zijn economische betekenis voorgoed verloren in de daaropvolgende eeuwen zou het aan militaire betekenis winnen.
Tijdens de 80-jarige Oorlog (1568-1648) tussen het Koninkrijk Spanje en de Noordelijke Nederlanden liep het front vast ter hoogte van de Zwinsmonding en het Lapscheurse gat, nadat Prins Maurits van Nassau zich in 1604 meester had gemaakt van Sluis en Aardenburg. Tijdens het 12-jarig bestand (1609-1621) gaan beide partijen dan ook hun posities versterken. Omwille van zijn strategische ligging, op het kanalennet, tegenover de vijandelijke vesting Sluis en vóór Brugge werd Damme als vesting uitgebouwd. De gebastioneerde verdedigingsgordel, door de Spaanse ingenieurs ontworpen. vormt nog altijd één van de belangrijkste stukken militaire architectuur in de Zwinstreek. Betreffende de chronologie en het uitzicht van de werken zijn we goed ingelicht door het overvloedige kaartenmateriaal en de nog bewaarde aardwerken. Met de aanleg werd in 1616 gestart. De hoofdwal op basis van een regelmatige zevenhoek bestond uit bastions verbonden door courtines en voorzien van een voorwal. Pas na de voltooiing van deze eerste gordel —zeker na 1617 — legde men de contrescarpe aan, die bestond uit ravelijnen en bastions door een bedekte weg verbonden. De compromisloze uitwerking wiste nagenoeg elk spoor van de middeleeuwse versterkingen uit. Bovendien greep ze sterk in het wegen- en waternet in. Slechts twee poorten waren voorzien: de ene, de Onze-Lieve-Vrouw ten zuiden van de Kerkstraat leidde naar de Nederen Bruggeweg en de Pijpeweg. De Sint-Antoniuspoort gaf toegang tot de Nederen landweg. De noordoostelijke uitgangswegen werden afgesloten.

De Zeuge werd gedempt en de Verse Vaart even buiten de vesting afgesloten. Het Zwin of Zoute Vaart behield echter zijn doorgang. Bovendien werd om strategische redenen beslist de Lieve binnen de stadsmuren te brengen. Via een overdekte waterpoort in de courtine — de nu nog bewaarde kazemat — kwam het kanaal binnen de vesting waar het in de Zoute Vaart liep. Het sas dat in 1969 bij de opgravingen door Ph. Duprez vrijgelegd werd, regelde het waterpeil tussen beide waterlopen. Als vesting, geleid door een militair gouverneur zou Damme tot ca. 1760 operationeel blijven. Het zou nog enige rol spelen tijdens de Spaanse Successieoorlog (1703-1713). Bij deze strijd tussen de coalitie Frankrijk-Spanje tegen de geallieerden, waaronder de Noordelijke Nederlanden, werd de Zwinstreek opnieuw tot oorlogszone uitgeroepen. Aan Frans-Spaanse zijde werd ernaar gestreefd de greep op het kanalenstelsel te versterken en de verdediging van Brugge te verzekeren. Dit gebeurt door het opwerpen van een 4-tal schansen langs de waterlopen en de bouw van het fort van Beieren (1704).

De efficiëntie van de vesting. Damme werd opgedreven door de aanleg, in 1703, van een hoornwerk in de richting van Sluis. Hierdoor sloot men nu ook de Zoute Vaart definitief af. Al deze voorzorgen mochten niet baten want in 1706 veroverde de geallieerde troepen o.l.v. de Hertog van Marlborough de stad. Na de Vrede van Utrecht (1713) verloor de vesting gaandeweg zijn belang. In de jaren 1782 en ‘86 werden de terreinen op bevel van Keizer Jozef II openbaar verkocht.

7. De aanleg van het Kanaal Brugge-Sluis

De laatste en vrij ongelukkige ingreep in het stadsbeeld van Damme gebeurde in 1810 wanneer onder Napoleon I het kanaal Brugge -Breskens gegraven werd. Dit kanaal volgde de loop van de Reie maar week hij het binnenkomen van de stad van deze waterloop af om rechtdoor te lopen. Hierdoor verdwenen o.m. de Koornmarkt en enkele merkwaardige huizen. Ook de resten van de Zoute Vaart en de Lieve binnen de stad werden met aarde van het nieuwe kanaal gedicht. De waterlopen die de stad ooit tot voorspoed brachten, verdwenen hier bij voorgoed uit het stadsbeeld.

Besluit

Damme is een uit economische motieven gestichte stad. Het initiatief ging uit van de handelsstad Brugge, die om zijn uitweg naar de zee veilig te stellen, op het bevaarbaar uiteinde van het Zwin een dam liet opwerpen en die via het kanaal van de Reie met de stad verbond. De nederzetting, die achter de dijk ontstond, groeide, mede dankzij grafelijke steun niet alleen uit tot één der drukste voorhavens van West-Europa, maar tevens tot een belangrijke handelsplaats (stapelrechten van wijn en haring).

De grote lijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van de stad Damme zijn nu duidelijk. Ze heeft haar sporen nagelaten in het stratenpatroon en de percelering in en om de stad. De dam liep ter hoogte van de huidige Kerkstraat. Het oudste stadsgebied was gesitueerd in de hoek van de Kattestraat en de Kerkstraat. Aanvankelijk breidde de stad uit achter de dam en in zuidelijke richting, maar vanaf het midden van de 13de eeuw werden na verdere bedijking van het Zwin gronden aan de zeezijde of oostzijde van de dam ingenomen. De twee dijken hiervoor, haaks op de dam aangelegd zijn nu nog gedeeltelijk in het verloop van de Jacob van Maerlantstraat en de Slekkestraat bewaard. Reeds eind 13de eeuw - begin 14de eeuw stagneerde de economische activiteit door de verzanding van het Zwin, waardoor met een de verdere uitbreiding van de stad een eind nam. De verdere wijzigingen in het middeleeuwse stadsbeeld werden van dan af bepaald door de militaire gebeurtenissen en de pogingen om de toegankelijkheid van de haven te verzekeren.

Zo kwam een eerste ruime, maar gedeeltelijke stadomwalling tot stand in 1297-98 tijdens het Frans-Vlaams conflict. Pas eind 14de - begin 15 de eeuw werd — op last van Filips de Stoute ? — een volledige maar kleinere stadsomwalling opgeworpen.

Vanaf de 80-jarige Oorlog kwam Damme in de grenszone tussen Spanje en de Verenigde Provinciën te liggen waardoor het tot ca. 1760 een militaire rol van enige betekenis zou spelen.  De gebastioneerde verdedigingsgordel, tussen 1615-1620 aangelegd, wiste nagenoeg elk spoor van de middeleeuwse omwalling uit en greep tevens sterk in op het stadsgedeelte noord van de reie-Zwinas. De versterking werd in 1704 tijdens de Spaanse Successieoorlog met een hoornwerk richting Sluis aangevuld. De aardwerken van deze voor de streek uitzonderlijke stukken vestingbouw bleven gelukkig bewaard;

De compromisloze aanleg van het kanaal Brugge-Sluis ná 1810 sloeg een laatste wonde in het ingesluimerde stadje. De laatste overblijfselen van het noordelijke stadsgedeelte verdwenen en wat nog restte van de waterlopen Reie, Zwin en Lieve werd gedempt.

Uit dit alles blijkt nog eens hoe intens het lot van de stad Damme met dat van de Zwinstreek verbonden was. Het Zwin lag aan de basis van het ontstaan en de bloei, maar tevens van het verval van de haven. De militaire verrichtingen in de streek, vanaf eind 16de eeuw, bepaalden de betekenis van Damme als vesting. Deze band is er nog altijd. Het rijke cultureel-historisch erfgoed van de stad vormt nu een wezenlijke schakel in de toeristische uitbouw van de Zwinstreek.


Meer literatuur

Vincent Debonne en Knistof Haneca. Baksteen en boomringen: een verfijnde bouwchronomogie van het hallenkoor van de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Damme (prov. West-Vlaanderen). In Relicta 7. Archeologie, Monumenten- en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, p. 67-100. Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (Brussel), 2011