>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek

Het Oud Schoolgebouw ligt aan de basis van wat Sincfala, Museum van de Zwinstreek op dit ogenblik is. In dit beschermd gebouw vind je presentaties over het vroegere (Heistse) vissersleven aan boord en aan wal.

In de grote zaal op de gelijkvloerse verdieping worden tijdelijke tentoonstellingen ingericht.

Op de eerste verdieping begint het verhaal van de visserij. Een pleintje evoceert wonen in een klein vissershuis. Op de overloop naar de verschillende zalen komen lapnamen (bijnamen), geloof en bijgeloof en spreuken met als thema visserij aan bod. In een ingerichte vissersklas leer je meer over het onderwijs van toen. Een cafeetje laat zien hoe een visser zich ter ontspanning deelnam aan het verenigingsleven.

Op de tweede verdieping (laag- en hoogzolder) komt de evolutie van de visserij een bod en is er een educatieve ruimte waar zowel individuele kinderen als scholen aan het werk kunnen.

 

Spreuken die iets te maken hebben met...

De vissers hadden een grote schrik voor de zeeduivel Roeschaard die plots uit zee kon opduiken om hen in zee te sleuren, hun boot te doen kapseizen, de netten te scheuren... Roeschaard kon alle mogelijke gedaanten aannemen als een oude vrouw, zwarte kat of vogel, duivel... Een van de meest typische gedaanten was een grote kwade kabeljauw... Om Roeschaard te misleiden kregen de vissers als lavertje (leerjongen) een nieuwe naam (lapnaam). Wanneer de zeeduivel dan plots voor hen verscheen en vroeg : “Ben jij visser X ?”, antwoordde de visser dan : “Neen, ik ben Y (lapnaam)”. Roeschaard dacht toen dat hij de verkeerde voor had en verdween.

Die bijnaam of lapnaam werd op de eerste zeereis gegeven door de schipper. Hij besprenkelde de nieuweling met zeewater en zei : “Ik doop u en de Roeschaard, die lelijkaard, kere zich om, domme, dom, dom. Uw naam is Y (lapnaam)”. De keuze van de bijnaam gebeurde door de schipper die zich soms liet inspireren door de fysieke kenmerken van de laver (vb. Grauwen, Neuze, Witten,...) of door andere eigenschappen (bijvoorbeeld Dullen, Artiest, Kontent...). Van heel wat lapnamen is de herkomst echter moeilijk te achterhalen.

Het geven van een bijnaam had niet alleen een bijgelovige betekenis, maar had ook een praktisch nut. De Heistse vissersbevolking bestond slechts uit een beperkt aantal grote families (vb. Van Torre, Vandierendonck, Savels,...) zodat dezelfde namen dikwijls voorkwamen. Om een bepaalde visser gemakkelijk te identificeren sprak men hem aan met zijn bijnaam. Bepaalde bijnamen waren dan ook eigen aan dezelfde familie (bijvoorbeeld Kavijacks, Foks...) en namen de vorm aan van een familienaam (vb. de Schelen van Foks). Dat ging verder van vader op zoon en zo kreeg men gecombineerde namen als Louis van de Schelen van Foks. Hoewel men in Heist nog vele bijnamen kent, sterft het gebruik toch snel uit.

Geschiedenis

De Morinen en Menapiërs, de stammen van de Belgen die in de Romeinse Periode de kuststreek bevochten, werden reeds als vissers vermeld. Tot in de 10de eeuw beperkte men zich tot strand- en kustvisserij. De armere vissers beschikten slechts over kleine bootjes waarmee ze zich niet ver in zee durfden wagen. Ook stelde zich het probleem van de bewaring van de vis die vers aan land moest worden gebracht.

Vanaf ca 1000 ontstond het moderne visbedrijf. De vissers konden het hinterland met de opkomende wereldstad Brugge bevoorraden. In dezelfde periode ging men de techniek van het steuren (het zouten van de vis) toepassen wat de bewaarbaarheid verbeterde. Ook werd een nieuw type vissersboot, nl. de busa in gebruik genomen. Dat schip was een geroeid zeilschip dat groter was dan zijn voorgangers aangezien het tot 20 man aan boord kon nemen.

Onder Filips van den Elzas, graaf van Vlaanderen, werden een aantal visserssteden gesticht : Damme, Nieuwpoort, Grevelingen, Duinkerke, Biervliet. De vissers durfden dan ook verder te varen. Samen met vissers uit Mude (Sint-Anna-ter-Muiden), Blankenberge, Wenduine en Oostende, werden de vissers uit Heist vermeld in Zuid-Engelse toldocumenten van 1305. De belangrijkste vissoorten die men aan land bracht waren : haring, makreel, pladijs, schelvis, zalm, paling en kabeljauw.

Een tweede belangrijke stap was de toepassing (ca 1400) van de kaaktechniek waarbij de vangen vis reeds aan boord van de ingewanden werd ontdaan en daarna werd ingezouten. Die techniek liet toe om nog verder in zee te gaan. Wel had men aan boord meer plaats nodig. Daarom bouwde men in het begin van de 15de eeuw de eerste grote haringbuizen die de volgende eeuwen het belangrijkste vissersvaartuig aan de Vlaamse kust zou worden en waarvan zeer verscheidene types werden gemaakt.

De haringvisserij of Grote Visscherij werd beoefend van 24 juni tot 11 november en was bijgevolg een zomeractiviteit. In de winterperiode beperkte men zich meestal tot strand- en kustvisserij. In de 15de eeuw ontstond ook het beroep van de visserswaard die een bemiddelende rol speelde bij de visverkoop. De 15de en de eerste helft van de 16de eeuw waren een zeer belangrijke periode voor de Vlaamse visserij. Heist telde toen ca 10 haringbuizen met ca 150 vissers (op een totaal van ca 450 inwoners in 1525). Niettegenstaande de grote bloei hadden de vissers dikwijls met grote problemen te kampen : oorlogen, piraterij, opeisingen, uitrusten van konvooischepen enz. De Godsdienstoorlogen in de tweede helft van de 16de eeuw betekenden het einde van de Heistse Grote Visscherij. In de volgende periode werden geen vissers meer vermeld in Heist. Waarschijnlijk beoefende de plaatselijke bevolking nog wel de strandvisserij, maar er voeren geen vissersschepen meer uit. De Oostenrijkse keizer stimuleerde in de 18de eeuw de economie, o.a. de visserij, in de Zuidelijke Nederlanden. Onder keizerin Maria-Theresia werden de eerste vissers terug vermeld in Heist. In 1780 zou de Heistse vissersvloot reeds 8 vissersboten tellen. Men viste dan vooral op wijting, griet, sprot, tarbot, rog, krab, mosselen, robaard, tong, schar, gul en garnaal.

Heel de 19de eeuw bleef de Heistse vissersvloot groeien. In 1895 telde men 46 vissersschuiten met in totaal 182 bemanningsleden. De vissersboot was de Heistse schuit die op het strand werd gelegd. Na de bouw van de haven van Zeebrugge, verhuisden de Heistse vissersboten één voor één naar de nieuwe haven.

Heistse schuit

visserijVanaf de 15de eeuw maakte men aan de Vlaamse kust gebruik van een schuit die tot het eind van de 18de eeuw zeer verspreid was. Deze Vlaamse schuit bleef in de 19de eeuw verder bestaan als Blankenbergse of Heistse schuit. De platboomde (= platte bodem) schuit bezat een midscheepse en een fokkenmast die elk voorzien waren van een vierkant loggerzeil. De schuit was ca 11 meter lang, 5 meter breed en 2 meter diep en kon 15 à 20 ton bevatten. Aan beide zijden draagt het een zwaard om het evenwicht te bewaren. De schuit was net een open schip. Onder de voorplecht was een kleine leefruimte gebouwd en onder de achterplecht borg men het materiaal op. In 1871 kreeg Blankenberge zijn kleine haven. Men schakelde vrij snel over van de logge schuiten naar snellere kielboten.

In Heist bleef de schuit echter nog in gebruik maar kende enkele aanpassingen. Het open ruim werd helemaal overdekt en i.p.v. dwarsgetuigd werd het langsgetuigd (Heistse schuit). Na de verhuis van de Heistse vloot naar de haven van Zeebrugge (1907) verdween de Heistse schuit.

Visserskroegen

In alle Europese havens en vissersplaatsen vonden de zeelui typische kroegen waar zij de ontberingen en gevaren van een zware zeereis konden vergeten. Die kroegen lagen rond de haven of in de vissersbuurt en herkende men gemakkelijk door de typische herbergnamen (vb. de Ferrybank en de Meerpaal in de omgeving van het museum) of het uithangbord (vb. gevelsteen van de Mercator, het Belgisch opleidingsschip voor zeelui dat men in Oostende kan bezoeken). Zeemeerminnen (zie uithangbord boven het loket van het museum : replica van bord uit Bilbao, 18de eeuw), in de naam of op het uithangbord willen de zeelui verleiden naar een kroeg van verdacht allooi. In het interieur verwezen talrijke elementen naar het vissersbestaan : de scheepsklok, scheepsmaquette in flessen, portretten van vissers, netten, opgezette zeemeeuwen,...

Vooral op het eind van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw, was er veel alcoholisme zowel bij de arbeiders als bij de vissers. Een toerist uit 1898 vertelt hoe hij zag dat een vissersvrouw op maandagmorgen haar stomdronken man in een kruiwagen naar zijn vissersboot voerde. Wanneer de visser niet op tijd aan boord was, dreigde hij zijn job te verliezen. Heist telde toen ca 80 herbergen voor 1800 inwoners waarvan ongeveer 200 vissers. Na de Eerste Wereldoorlog bond men de strijd met het alcoholisme aan. De Wet Vandevelde (1919) verbood het schenken van sterke drank (jenever). Verschillende syndicale verenigingen en partijen verspreidden affiches om het drankmisbruik te bestrijden (zie affiche van de liberalen “Medeburgers uit alle landen onthoudt u van sterken drank”).

ontspanningOp café dronk men jenever of bier van de plaatselijke brouwer (zie flessen van brouwer Langbeen-Lampo en Roels uit Heist). De betere kringen dronken toen “eaux et limonades geuzes” van plaatselijke leveranciers (zie flessen van Staelens-Verroken-La Heystoise of van Oct. Verroken uit Knocke).

De vissers hielden zich vooral bezig met het kaartspel (mannillen en kleurenwhist), het dobbelspel... Reeds voor de Tweede Wereldoorlog hadden de vissers de “vogelpiek” (darts) uit Engeland meegebracht. Ook populair waren het bolspel (gaaibolling en trou-madame) en de “toptafel” die vooral in het noorden van West-Vlaanderen is verspreid. Reeds vanaf 1887 kent Heist een “rokersclub”. De leden moeten zo lang mogelijk hun pijp brandende houden (nu nog in café Ferrybank). De andere typische bezigheid in Heist is het “vinkenzetten” (zie kooitje en kerfstok).

 

Verenigingsvlaggen

In de 19de eeuw werd het traditionele maatschappelijke weefsel ernstig verstoord door de industriële revolutie. Jonge mannen en vrouwen lieten hun vertrouwde familie- en vriendenkring achter en zochten werk in de voor hen vreemde stad. Eerst in de steden, maar vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, ontwikkelde zich ook op het platteland een nieuwe manier van sociale samenwerking in de vorm van een rijk en gevarieerd verenigingsleven : fanfares, toneelgezelschappen, sportverenigingen, schutters,... Deze evolutie werd gestimuleerd door de verschillende tegengestelde ideologische zuilen.

Vele verenigingen verdwenen in de voorbije decennia. Van hun vroege bestaan bleven soms maar enkele symbolen, als de vlag, bewaard. Zoals de handgeschilderde vlag van de Knokse duivenmaatschappij De Noordduif die in 1902 werd opgericht, maar die tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn activiteiten moest staken omdat de Duitsers vreesden dat de duiven als spionageduiven werden gebruikt. Een andere handgeschilderde vlag is die van de Knokse vereniging “De Vlaamse Scherpschutter” die in het begin van de 20ste eeuw werd opgericht. In Heist werd op 2 november 1891 de “Koninklijke Verbroedering van Gewezen Onderofficieren” opgericht. De vlag werd met een subsidie van koning Leopold II (150 Bef) aangekocht. In het hart van de vlag werd een mooie afbeelding van een Heistse schuit geborduurd.

De Heistse voetbalvereniging is twee supporterverenigingen rijk : “De Strandleeuwen” en “De Zeemeermin” (vlag in inkom van het museum) die de voetbaluitslagen onmiddellijk doorspeelden naar de vissers op zee. Beide verenigingen hebben een mooie vlag. De vlag van “De Zeemeermin” won in 1929 een eerste prijs in Luik bij een vlaggenwedstrijd.

 

Sint-Sebastiaansgilde

sint-sebastiaan-gildeBij de opkomst van de steden vanaf de twaalfde eeuw, ontwikkelde zich het gildewezen. Om de steden te beschermen organiseerde zich de kruisboog- of voetboogschutters vanaf de 13de eeuw in de Sint-Jorisgilden. De handbooggilden, die meestal aan Sint-Sebastiaan werden toegewijd, ontstonden een eeuw later en waren strikt georganiseerd en gereglementeerd (bij overtreding betaalde men een boete in de busse). Vanaf de 15de eeuw treft men ze ook heel dikwijls aan in de vele parochies op het platteland. Waarschijnlijk dateren de Sint-Sebastiaansgilden van Westkapelle, Oostkerke, Damme, Dudzele, Heist uit die periode. De gilden in Ramskapelle en Knokke ontstonden wellicht in de 16de eeuw.

Vanaf de late middeleeuwen hadden de handbooggilden geen militaire functie meer maar wel een kerkelijke (verplicht bijwonen van missen, processies, begrafenissen,...), een sociale (verplichting tot steun en solidariteit) en ontspannende functie (inrichten van feesten, koningsschietingen,...). Deze functies bleven bewaard tijdens het Ancien Regime tot de gilden in de Franse Periode werden afgeschaft. Vanaf de 19de eeuw hadden de Sebastiaansgilden nog bijna uitsluitend een sportieve en ontspanningsfunctie. Zij maakten een moeilijke periode door omwille van de concurrentie van vele nieuwe verenigingen. De gilden van Knokke (1876) en Heist (begin 19de eeuw) hielden tijdelijk op te bestaan, maar hervatten hun activiteiten respectievelijk in 1890 en 1878. De Sint-Sebastiaansgilden van Ramskaplle en Westkapelle verdwenen respectievelijk in 1851 en ca 1925.

De meeste Sint-Sebastiaansgilden beschikten over een rijk patrimonium met schuttershof en eigen lokaal. Vooral de breuken (kettingen) met de schakels (zilveren plaatjes met inscriptie) spreken tot de verbeelding. De koning mag de breuk dragen en voegt er zijn eigen schakel aan toe. In hun archief vindt men dikwijls het oude gildeboek (zie voorbeeld van het Gildeboek van Knokke, 1648) waarin men de statuten, de leden en hun bijdrage noteerde.

Sint-Sebastiaan komt op vele gildevoorwerpen voor (zie ook de vlag Lissewege, 1878). Volgens de legende liet keizer Diocletianus de christelijke legionair Sebastiaan omwille van zijn geloof met pijlen doorboren. Sint-Sebastiaan wordt dan ook meestal voorgesteld als de martelaar die aan een boom is vastgebonden. In Knokke en in Heist is er nog steeds een bloeiende schuttersvereniging.

 

Heistse Klakkertjes

Heist wou de nieuwe burgemeester Debra op 21 mei 1939 feestelijk inhuldigen : iets groots en iets blijvend. De oproep om initiatieven rond het thema visserij kende grote bijval. De deelnemers werden verplicht zich te tooien in folkloristische visserskledij van rond de eeuwwisseling. Voor de jonge snaken trommelde men inderhaast een volksdansspecialist op, om vissersdansen aan te leren.

De minister van verkeerswezen bezocht kort na de inhuldiging van de burgemeester “De Eerste Week der Vispropaganda”. De horden fotografen en journalisten, die hem volgden, legden de prestaties van de spiksplinternieuwe dansgroepering “De Heistse Klakkertjes” vast.

De folkloristische gekostumeerde volksdansgroep, die de naam dankt aan het “kleppemutsje” dat de meisjes dragen, luistert tot op heden als ambassadeur van Heist allerlei festiviteiten en evenementen in binnen- en buitenland op.

Lea Bailyu-Boereboom (°1896 – †1984) was de bezielster van de groepering. Maria Storm (°1919- ) verzorgde gedurende meer dan 50 jaar de kledij van de groepering.