>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek

De Museumtuin is een volwaardig deel van de site en is ingericht met een reeks typische elementen uit de Zwinstreek.

Blikvanger in de tuin was vroeger zoals u nog op de beelden ziet, de houten garnaalschuit Jessica, gebouwd in 1935 en toen gedoopt als Camille-Raymond (O 32). Door slechte weersomstandigheden werd deze in december 2014 uit de tuin verwijderd.

Verschillende type ankers geven een beeld van het nut van dit bekend en belangrijk uitrustingsstuk. Een reeks grenspalen typeert het historische "grenskarakter" van de streek. .

Tot aan WO I werden de stenen veelal door rondreizende steenbakkerploegen gebakken in veldovens. De ovens in open lucht werden aangelegd op de plaats waar de bakstenen nodig waren. Hierdoor werden dure transportkosten vermeden, maar het was wel een seizoengebonden en zeer arbeidsintensieve activiteit. Als het regende kon er niet gewerkt worden en er was nog geen vergoeding voor regenverlet!

Bouw veldoven

Het aanleggen van de oven en de vuurhaard was een zeer precies en vakkundig werk. Niet iedereen was dekker of brander! De afmetingen van de veldoven hingen af van het aantal te bakken 'brieken'. De brander berekende nodige lengte en breedte. Per seizoen legde men een drie à vier veldovens aan.

Op een geëffende ondergrond werd met de resten van een vorig baksel een oven aangezet. In de voet van de veldoven werden luchtkanalen uitgespaard. Op die kanalen kwam een volle stenen 'vloer'. Tussen de vloerstenen was er voldoende ruimte om lucht en hitte te verspreiden. Op het eerste stenen fundament kwam een dikke laag magere cokesassen en een deel kleine antracieten (zgn. pietjes).

Op de vloer kwam een eerste laag. In elke laag werden op regelmatige afstanden horizontale gangen (stookkanalen) uitgespaard die tot aan de rand met kolen werden opgevuld.

In de stookkanalen stonden op regelmatige afstanden twee stenen op hun smalle zijde (zgn. mannetjes). Pas nadat twee lagen 'rauwe brieken' (= ongebakken klei) waren gestapeld werd het vuur (met houtskool) aangestoken in de stookkanalen. Als het vuur goed brandde werden de zgn. mannetjes eveneens verwijderd en het gat werd met eierkolen opgevuld. Dan werd verder gestapeld tot men zestal lagen had. De hele 'kubus' wordt bovenaan afgesloten met gebakken stenen.

Opzij werd alles dichtgesmeerd met klei vermengd met stro (behalve enkele trekgaten). Via de stookgangen kon men nog altijd brandstof bijvullen.

Men bouwde elke dag de veldoven met een zestal lagen (ongeveer 100.000 stenen per dag!) verder op. Wanneer het vuur 's morgens was bovengekomen, plaatste men weer enkel lagen 'groene' stenen (rauwe brieken) waartussen men kolengruis strooide. De zijkanten van de oven werd weerom afgeplakt met leem om de warmte en de giftige gassen binnen te houden. De tochtgaten werden niet toegemaakt omwille van de luchttoevoer.

Een veldoven bereikte vaak een hoogte van vijf meter en meer. De temperatuur in een veldoven liep op tot 800 à 1200° C (afhankelijk van het soort te bakken klei). Wanneer de oven na een tiental dagen was uitgebrand, werd hij 'afgepeld'. In de luchtkanalen van de uitgebrande oven huisden de wilde konijnen.

Steenbakkerstaal

De steenbakkers hanteerden een eigen vaktaaltje: "De kuiperman deed de klei in de kuip, de hagers plaatsten de strovlakens die gemaakt werden van roggestro, de hagebaas moest toezien dat de vlakens in de goede richting werden opgesteld, de briekevoerders reden de op maat gesneden kleistukken naar de oven, de worsteknipper knipte de klei die uit de kuip kwam op de gewenste lengte, de snijderman sneed de 'worst' op lengte van een steen, de aardeladers vulden de 'berlintjes' met klei, de brander had de zorg voor het goed branden van de oven." (Uit Heyst Leeft, jg. 5 nr. 3)

Warme bakkers

De brander was de onbetwiste chef van de veldoven. Hij had naam en faam, kende als geen ander het vuur en organiseerde het werk. Deze zeldzame specialist werd terecht goed betaald.

De bovengrond werd in de winterperiode afgevoerd. Dan was ook onderzocht of de kleilaag 'rendabel' was. Bij het begin van de campagne werd de klei uitgegraven. In onze contreien stootte men vaak op lagen schelpen, die uit de kleigrond werden verwijderd. In Heist werd o.m. aan weerszijden van de Moerstraat klei gedolven, in spoorwagentjes (=Berlintje) geladen en naar de kuip (doucheur) gevoerd om gemalen te worden.

Uit de kuip kwamen dan stukken van 1 à 1,20 m lang die op maat van een baksteen werden gesneden met een stalendraad. De kleistukken werden per + 20 op planken gelegd en met de kruiwagen naar de droogplaats gevoerd. Om te beletten dat de klei zou vastkleven werd er zand over gestrooid.

De hager haalt ongeveer 240 rauwe brieken van het berlintje haalt om ze te stapelen op de droogplaats.

De droogtijd liep meestal over 3 à 4 weken, naargelang het weer al dan niet gunstig was. Wanneer een te natte steen werd gebakken, ging die scheuren. De 'groene' steen werd eerst plat gelegd. Wanneer die zijde voldoende droog was, werd hij 'gekant' (= op zijn smalle zijde gezet) zodat ook de onderkant kon drogen.

Het branden (dat pas begon eind mei, na de laatste vorstnachten) was een erg delicate zaak: de vuurhaard moest zorgen voor de gloei en de rook die de stenen deed bakken. Een bakte bevatte ongeveer één miljoen stenen.

De brander had een heel grote verantwoordelijkheid en bij het branden sliep hij dan ook heel weinig, soms geen 6 uur op 24. De stenen moesten eigenlijk in 24 uur goed gebrand zijn.

Om het barsten te voorkomen werden de rauwe stenen tijdens het bakken bovenaan afgedekt met gebakken stenen als beschutting tegen te felle wind of zon en regen. Opzij werd als toegesmeerd met klei. De plakker was niet alleen verantwoordelijk voor het 'afplakken' van de oven, maar ook voor het aanbrengen van de kolen, het geven van drank (bier, water..).

Gewoonlijk werd de veldoven rondom afgeschermd met vlakens tegen de wind (stel je daarbij strandzeilen voor!). Soms moest dit ook 's nachts gebeuren.

De steenbakkers maakten lange werkdagen. In de week waren zij zeker op post van 6 uur tot 19 uur, op zaterdag van 6 tot 18 uur. Het werk was bijzonder hard: telkens de zware vlakens verzetten naar de wind, stenen 'blootsmijten' als 't droog weer was, ze opnieuw dekken als het regende, 's nachts opstaan als de wind van richting veranderde.

Ankers dienen om een verbinding te maken tussen de zeebodem en een schip: om een schip op dezelfde plaats te houden en het aan de bodem van een vaarwater vast te leggen. Het anker is een van de bekendste en belangrijkste uitrustingsstukken van een schip. Het is een toestel om een schip aan de bodem van het vaarwater vast te leggen.

Er bestaan verschillende soorten ankers naargelang de noodwendigheid en de grootte van het schip: stokanker, dreganker, scharnieranker, parapluanker, klipanker, boeianker, damfortanker. Vaartuigen moeten volgens de Zeevaartinspectie steeds drie ankers aan boord hebben: een klipanker, een boeganker en een stokanker.

Ankersoorten

Scharnieranker
De voorloper van het stokanker is zeer oud en is in de 20ste eeuw niet meer gebruikt. Dit soort anker kan enorme afmetingen hebben en werd voornamelijk op zeilschepen gebruikt. De armen die samenkomen in de kom hebben een scharnier, waardoor het anker beter grijpt. Het werd nooit gebruikt op een Heistse schuit.

Stokanker
Dit soort anker is, alhoewel in mindere mate, nog altijd in gebruik. Dit soort ankers hebben een zeer uiteenlopend gewicht, dat varieert van 10 tot 1.000 kg. Ze werden vroeger veel gebruikt door zeilschepen, nu zijn ze nog aan boord als reserveanker. De stok is altijd langer dan de afstand van de ene armtop tot de andere armtop. Indien trekkracht wordt uitgeoefend, grijpt het anker op één arm vast in de grond. Er zijn stokankers met een stok die men kan dichtplooien, maar ook met een vaste stok. Stokankers met een spiegleuf dienen om een stok in kruisvorm vast te zetten.

Voor de moderne navigatie instrumenten in gebruik kwamen (dus voor 1955) merkte men goede visplaatsen met een kurken of metalen cilindervormige pot, die met een stokanker werden vastgelegd. Op het merkteken kwam overdag een vlag, bij nacht een karbuurlicht.

Zoals de meest mammoettanden en -beenderen opgevist worden ter hoogte van de Doggersbank, worden de meeste stokankers opgevist aan de monding van de Theems (Dows).

Klipanker
Na het stokanker zijn de klipankers in gebruik genomen. Ze hebben namelijk een scharnier in de kom, waardoor het anker beter grijpt vooral op slechte ankergrond. Dit soort anker wordt nog veel gebruikt tot op heden.

Dreganker
Op vissersvaartuigen (zeker de bokkenvissers) gebruikt men een kloek gebouwd dreganker om verloren vistuig terug op te vissen: bij bokkenvissers kunnen de netten met 1.800 kg kettingen verzwaard zijn. Kleine dregankers (van 1 tot 10 kg) dienen om drijvende voorwerpen aan de oppervlakte van het water op te vissen, vb. drijvend hout, touwen, of allerlei andere drijvende voorwerpen. De armen van de kleine dregankers zijn te licht om zwaarder verloren vistuig te grijpen

Ook kabelleggers gebruiken deze dregankers om te herstellen onderzeese kabels omhoog te trekken. Met de moderne navigatieapparatuur worden de kabels onmiddellijk gelokaliseerd. Om beschadiging te voorkomen mogen vaartuigen dergelijke dregankers nooit gebruiken in de nabijheid van onderzeese kabels en op de op zeekaarten aangeduide verboden ankerplaatsen. Koopvaardijschepen hebben geen dreganker aan boord. Bij de landing in Normandië werden hele kleine dregankers gebruikt om touwen in rotsen vast te haken.

Parapluanker
Een parapluanker werd eertijds gebruikt op lichtschepen. Lichtschepen (met een bemanning van 6 tot 7 personen) waren bakens op zee om een gevaarlijk gebied af te bakenen, die nu vervangen zijn door onbemande stations, die signalen uitzenden. Het lichtschip bleef heel lang ter plaatse, tenzij het onderhoud of herstel nodig had. Het lichtschip ligt met de kop in de tij tenzij de wind sterker is (6 tot 7 Beaufort), want dan gaat het met de kop in de wind liggen. Het lichtschip had twee wakers, kleine boeien die dagelijks werden gepeild om na te gaan of het anker niet gedregd (in de grond getrokken of verplaatst) had na storm.

Boeianker
Dit is een klein anker van 10 tot 20 kg en dient om boeien uit te zetten in de visserij en ook langs de stranden, maar daarvoor is de bedoeling om oranje ballen of blazen te leggen langsheen de kust. Zeer nuttig voor het afzetten voor bewaakte zwemzones.

Damfortanker
Een anker (klipanker met stok) dat veelal gebruikt wordt door de marine. Het is in feite een klipaker met stok. Daardoor kan dit soort anker nooit onklaar komen.

In december 2014 werd de Jessica uit de tuin van het museum verwijderd omdat het hout niet bestand was om verder aan de steeds veranderende weersomstandigheden te weerstaan.

Van Camille-Raymond naar Jessica

De houten garnaalschuit O.32 Jessica in de tuin van het Museum Sincfala werd in 1935 als laatste in zijn soort gebouwd op de scheepswerf Crabeels in Oostende voor rekening van Prosper Schram. De schuit heeft een lengte van 11,65 meter, een breedte van 4,35 meter en een diepgang van 1,94 meter, met een netto tonnenmaat van 3,42 en bruto 18,42. Oorspronkelijk was er een motor voorzien van 40 pk.

Zoals toen gebruikelijk maakten de scheepsbouwers geen gebruik van scheepsplannen. Waarvoor het vaartuig zou gebruikt worden, of de schuit een scherpe of bolle neus en welk soort hennegat het moest hebben en uiteraard het nodige budget…. waren allemaal vragen die een antwoord kregen op basis van op de werf aanwezige mallen. Zo kreeg de Camille-Raymond, zoals de Jessica bij de tewaterlating werd genoemd, een scherpe neus en een rond hennegat. Oorspronkelijk werd geen stuurhuis aangebracht. 

Het schip werd bestuurd door middel van een helmstok. Het had drie driehoekige zeilen, nl. bezaanzeil, midden- en stagzeil. Toen de zeilen niet meer van doen waren werd in de zeilkooien aan de voorpiek het reserve touwwerk geplaatst. Het visruim had zes visbakken (aan elke zijde 3 bakken). Er waren logies voor twee à drie bemanningsleden : de stuurman, de machinist (die ook aan dek moest helpen) en een matroos.

Voor o.m de voor- en achtersteven, de ribben en de spanten, voorpiek…. werd eikenhout gebruikt. Het taaie olmenhout werd gebruikt voor de planken onder de waterlijn en de kiel, waardoor de snelheid van het schip kon opgedreven worden. Voor de mast werd pitchpine gebruikt en sparrenhout voor het dek, het ruim en de logies.

De Camille-Raymond viste vooral ’s nachts op garnaal en liep dagelijks de haven binnen. De garnaalschuit had verschillende eigenaars en werd na 57 jaar uit dienst genomen. In 1991 was de boot voor de laatste maal van naam veranderd. Het werd de O.32 Jessica.

Naar het museum

Zoals de vroegere Heistse platbodems op het strand lagen, belandde de schuit Jessica uiteindelijk op 8 december 1995 via de bvba Ferny in de tuin van het Museum Sincfala in Heist.

Berging

Klaar voor transport

Transport van Zeebrugge naar Heist

In de tuin plaatsen

In het voorjaar 2006 werd de Jessica afgewerkt en geschilderd.

Op 14 juni van hetzelfde jaar werd het vissersvaartuig door burgemeester Graaf Leopold Lippens officieel ingehuldigd.

Jaarlijks in de maand mei zorgden enkele museumvrienden (Peter Dezutter, Patrick Govaert, François Six en Dirk Van Dycke) voor een grondige schilderbeurt van de oude dame.

In 2001 bleek dat de Jessica wel eens een iets grondiger face-lift nodig had.

Restauratie

In een samenwerking met vzw Archonaut, VDAB, gemeentebestuur Knokke-Heist en Maritieme Site Oostende werd in 2001/2002 aan een eerste fase voor het behoud en de restauratie van de Jessica gewerkt. De schuit lag teveel met de neus naar beneden. Vooraan werd de schuit zeker 1 meter omhoog gekrikt om volgens de waterlijn te liggen. Dit kon pas gebeuren nadat ongeveer 200 kg kabels (vislier, anker;..) van boord werd gehaald en het bovendek van alle aangekoekte vuil was ontdaan. De stalen ondersteunende constructie werd verwijderd en vervanging door een betere: de kiel werd op verschillende langsdragers geplaatst en 2 zijschoren houden het vaartuig in evenwicht. Pas daarna kon men beginnen met het vervangen van het rotte hout van de twee bovenste gangen en andere beschadigde delen van de romp. Een nieuwe verschansing werd aangebracht. De naam van het schip werd opnieuw vakkundig uitgebeiteld.

In 2003 werden in de ateliers van Archonaut voorbereidende werkzaamheden gestart voor de tweede fase van het behoud. Er werd getimmerd aan nieuwe luiken, stuurhut... Van zodra de weersomstandigheden het toelieten werd verder gewerkt aan de schuit in de museumtuin (o.a wegname oude stuurhut, masten, radar, uitpompen tank, verwijderen van alle metalen voorwerpen op het dek… ). Een grote kraan van de firma Verheye werd ingehuurd om de stuurhut, masten…. van de boot te nemen.

Zowel aan stuurboord- als aan bakboordzijde werden twee zwarte gangen volledig vervangen. Een doorkijk die voor de nodige verluchting zorgde werd herbeplankt. Hoewel oorspronkelijk was gepland om enkel een nieuwe ondervloer op het bovendek te leggen, was de staat van de dekspanten zo slecht dat deze spanten en het volledige dek werden verwijderd en volledig vernieuwd. Bij deze werken werd op 19 mei 2004 een klein kruisje achteraan onderdeks gevonden. Dit werd vermoedelijk bij de bouw van de schuit als een soort amulet aangebracht! Er werd aangevat met de kuis van de patrijspoorten, het verwijderen van alle oude verflagen, herstel van de vislier… Deze werken werden in het najaar verder gezet.

De nieuwe stuurhut definitief bevestigen, het lappen van de steven en het voorzien van nieuw metalen beslagwerk, nieuwe masten, bescherming tegen houtrot, plaatsen van elektriciteitsvoorziening... De face-lift van de oude garnaalschuit wordt dus wel grondig aangepakt.

Verder is voorzien dat de nutteloze ijzeren balken onder de boot worden weggebrand en afgevoerd. Een metalen trap met passerelle naast de schuit maakt het mogelijk een kijkje op dek te nemen.

Ondertussen wordt een poging gedaan om de geschiedenis van de O32 samen te stellen. Alle informatie is hierbij welkom. Personen die aan de bouw hebben gewerkt, die hebben meegevaren, die nog iets weten over de vangsten, de visreizen, de oorlogsperiode…. worden gevraagd met Sincfala contact op te nemen.

In december 2014 werd de Jessica uit de tuin van het museum verwijderd omdat het hout niet bestand was om verder aan de steeds veranderende weersomstandigheden te weerstaan.