>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek
HomeActiviteitenActiviteiten 20062006 - Open Monumentendag - De windmolen als Vlaams exportconcept
titel_orgels
Het orgellandschap van de provincie West-Vlaanderen is even verscheiden als dat van de ons omringende gebieden. Toch zijn er eigen klemtonen. Zowel economisch als politiek ontwikkelt het oude graafschap Vlaanderen een zekere vorm van zelfstandigheid, zonder de banden met de leenheren in Frankrijk te verbreken. De grafelijke residentie ontwikkelt zich tot een vooraanstaand centrum en de oudste getuigenis van een orgel in de Nederlanden is in Brugge terug te vinden. Het dagboek van Galbrecht van Brugge ‘De multro, traditione et occasione gloriosi Karoli, comitis Flandriarum’ vermeldt de aanwezigheid van een orgel in de grafelijke kapel waar Karel De Goede in 1127 wordt vermoord.

Ondanks de onlusten en vernielingen ontwikkelt vanaf de 15de tot de 18de eeuw de orgelcultuur zich in steeds stijgende lijn. In de 15de eeuw schuift Ieper zich door de intense wisselwerking met Brugge naar voor als internationaal centrum voor orgelbouw. Het werk van de familie Langhedul beïnvloedt de orgelbouw in Parijs, Madrid en het hertogdom Brabant (Antwerpen en Brussel). Het instrument is niet langer een voorrecht voor kathedralen, abdijkerken en collegiale kerken in rijkere steden, maar zijn ook terug te vinden in eenvoudige klooster- en dorpskerken. De oudste instrumenten zijn op enkele orgelpijpen na uit het orgellandschap verdwenen.

Naar het einde van de 16de eeuw, begin van de 17de eeuw verdwijnt de internationale uitstraling. Van orgelbouwers zoals Helewout blijft echter maar weinig bewaard. Het enige exemplaar dat nog zou bestaan, is te bewonderen in de Sint-Magaretakerk in Knokke. Het Kust-Vlaamse orgeltype bereikt een hoogtepunt tijdens de hoogbarok, rond de eeuwwisseling van de 17de en 18de eeuw. In Gent bouwen de orgelmakers Van Peteghem aan een nieuwe traditie in de orgelbouw, het rococo-orgel, een logische ontwikkeling van de Brabantse orgelbarok.

De postclassicistische stijl van Charles-Louis Van Houtte sluit nauw aan bij het werk van de familie Van Peteghem. Hij is één van de lokale meesters die opnieuw op de voorgrond komen door de heroprichting van het bisdom Brugge in 1834. Pieter Loncke volgt Van Houtte aanvankelijk in deze stijl. Louis-Benoît Hooghuys is echter de dominerende figuur in het West-Vlaamse orgellandschap van de 19de eeuw. Hooghuis, een emigrant uit Noord-Holland, ontwikkelt vanuit het classicisme een eigen stijl. Hier en daar sluimert een vroegromantische invloed.

De hoogromantiek breekt pas naar het einde van de 19de eeuw schaars door in West-Vlaanderen ondermeer door het werk van Frederik Loncke. De 20ste eeuw brengt een grondige herschikking met zich mee. De twee wereldoorlogen zijn daar niet vreemd aan. Bovendien komt door de industrialisatie van de orgelbouw en de technische mogelijkheden de klemtoon minder op de kwaliteit van het instrument te liggen. Organisten en orgelmakers staan hierdoor vaak tegenover mekaar.

 

Sint-Margaretakerk - Knokke

De Sint- Margaretakerk in Knokke heeft twee orgels: een groot nieuw orgel gebouwd door orgelmakers Loncke en een kleiner instrument gebouwd in het oosttransept boven de ingang van de sacristie van de hand van Nicolaas Helewout.

Het Helewout-orgel (1631)
De Kerkraad van de parochie beslist tijdens de zitting van de eerste zondag van april 1869 om het oude orgel van de Sint-Jacobskerk van Brugge te kopen voor 1.500 Belgische frank. In die kerk bouwt Louis-Benoît Hooghuys een nieuw orgel. Het orgel dat door de parochiekerk wordt gekocht, is in 1631 door de Brugse orgelmaker Nicolaas Helewout gebouwd. Voor de herstelling vraagt Hooghuys 700 Belgische frank. Een hele investering, want de jaarwedde van de koster bedraagt op dat ogenblik 127 Belgische frank. De kosten voor het plaatsen van het nieuwe instrument in de kerk bedroegen 50 Belgische frank. Maar dat bedrag moet niet worden betaald. Het oud orgeltje dat in de kerk staat, is namelijk ook 50 Belgische frank waard en wordt eigendom van Hooghuys.

Het Helewout-orgel dat in Knokke terecht komt en op 10 februari 1870 wordt ingehuldigd, bevat een reeks pijpen die tot de oudste van Vlaanderen behoren, ondanks vele herstellingen en restauraties. Orgelkast en instrument samen, vormen een monument (K.B. 29.11.2000). Antoon Fauconnier en Patrick Roose omschrijven het orgelmeubel “van onschatbare waarde voor het Vlaamse kunstpatrimonium”.

In de beginjaren ’50 van vorige eeuw moet de gotische en neogotische Sint- Margaretakerk, die tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd raakt, wijken voor een nieuwe kerk met neoromaanse rondbogen. Die wordt tussen 1955 en 1958 volgens de plannen van Jozef Ritzen (Antwerpen) opgetrokken. Het is een vrije replica van de basiliek Sint-Paulus-buiten-de-Muren in Rome. De oude kerk wordt op de achthoekige toren met zonnewijzer na, in 1957 geheel afgebroken . Orgelmakers plaatsen het oud orgel in open opstelling op het nieuwe doksaal en de kast verdwijnt in de kelder van de nieuwe kerk, omdat het oude barokke orgelmeubel volgens architect Ritzen niet geschikt is om terug een plaats te krijgen in het nieuwe kerkinterieur. De firma Peeters bouwt een tweeklaviersorgel, dat met het grote orgel in de kerk kan samenspelen.

De barokke orgelkast verhuist in 1965 naar Duitsland om nagenoeg ongewijzigd een plaats te krijgen in de kruisbeuk van de Jesuitenkirche Sankt Peter in Keulen (www.sankt-peter-koeln.de). De kast fungeert er als meubel voor een modern instrument. Het verband tussen de twee is ver te zoeken.

Sinds 1990 worden stappen ondernomen om de orgelkast uit Keulen terug te halen. Daarvoor ijveren de Vrienden van het Helewout-orgel. Er doet zich plots een gelegenheid voor: Sankt Peter is aan grondige restauratie toe. Tijdens de bombardementen op Keulen tijdens de Tweede Wereldoorlog, wordt de kerk zwaar beschadigd. Alleen de buitenmuren en enkele zuilenstompen blijven overeind. Het plafond uit kruisgewelven is volledig ingestort. Pas in 1960 is de wederopbouw ervan voltooid. De kruisgewelven zijn echter vervangen door een vlak plafond, waardoor de buitenmuren hun samenhang verliezen en ze stilaan letterlijk uit elkaar komen te staan. Een voorlopige sluiting van de kerk dringt zich op en het kerkbestuur van Sankt Peter kiest voor een zeer grondige restauratie. De kerkverantwoordelijken zijn van oordeel dat het orgelmeubel niet zal passen in het toekomstig kerkinterieur en dat het terug naar zijn plaats van oorsprong kan. Op 24 juni 1997, de feestdag van Sint-Jan, arriveert de waardevolle orgelkast opnieuw in de Sint-Magaretakerk. Jos Loncke en zijn medewerkers beginnen onmiddellijk aan de opbouw.

Inmiddels heeft in 1995 het Helewout-orgel op het grote doksaal plaats moeten ruimen voor een nieuw groot orgel, dat op 17 maart 1996 is ingewijd en ingespeeld. De orgelmaker Frans Loncke en zonen uit Zarren verplaatsen het Helewout-orgel naar de oostwand op een nieuw doksaal boven de ingang van de sacristie. Met hulp van een mecenas wordt het orgelmeubel teruggekocht en wordt een nieuw doksaal gebouwd aan de oostkant boven de ingang van de sacristie. De kast van het Helewout-orgel is geboend en in goede staat. Het orgel is niet bespeelbaar. Een restauratiedossier is in opmaak.

Jozef Bonte beschrijft in Rond de poldertorens uit 1997 het Helewout-orgel als volgt:

“Wij hebben hier te doen met een zeer mooi staaltje van houtsnijwerk uit de baroktijd. Alle kenmerken van dit barokke meubel openbaren vreugde om het geschapene. Het is een zich inschakelen van de natuur in de realiteit van de bovennatuur. Het is een vermenselijking van het bovennatuurlijke. Hier bestaat een band, waarbij de kunst een middel wordt om de godsdienst te dienen. Barok omringt de toeschouwer met een sfeer van warmte in vorm en uitdrukking, naar het diep menselijke toe. Het is een uitbundige aspiratie naar schoonheid, waaronder nochtans een diepe spirituele bezieling schuil gaat. Het godsdienstige wordt hier intens beleefd, maar uitgedrukt in de geest van de tijd.

De kast is vijfdelig met halfrond uitspringend hoger middengedeelte. De zijkanten zijn begrensd door gegroefde Ionische pilasters. De figuurtjes die zijn weergegeven zijn zowel engelenkopjes als demonen. Wellicht een allusie naar de eeuwige strijd tussen goed en kwaad. Mij komt het voor dat de rechterzijde van het meubel meer naar hemelse muziek verwijst terwijl de muziekinstrumenten weergegeven aan de linkerkant dienen in verband gebracht met muziek als genot, wat nog niets te maken heeft met de materialiteit. Wij herkennen aan de rechterkant en aan de linkerkant samengebonden muziekinstrumenten. Rechts: een viool, nog een strijkinstrument met strijkstok, een boek, het symbool van het brevier- en koorgebed, een Thebaanse trompet, een hoorn. Aan de linkerzijde: de kromhoorn, de viool, de luit, de trompet, de tamboerijn.

Op de basis van de kast zijn er pilasters met druivenranken, een verwijzing naar het Laatste Avondmaal, twee effen cartouches, granaatappels en ander fruit. Nog veel meer is er te zien op het meubel: men herkent slangen, het teken van de voorzichtigheid. Zo is in het fronton aan weerszijden een driehoekje uitgespaard. De driehoek is het symbool van de volledigheid - wellicht een verwijzing naar de Drie-eenheid. Kortom, het ganse meubel drukt een spirituele emotie uit.”

Het Loncke-orgel (1996)
Frans Loncke bouwt in 1996 samen met zijn zonen het grote orgel in de Sint-Magaretakerk. Het is ontworpen door de huidige organist Jan Baert.

Eenendertig mensen hebben er heel wat maanden aan gewerkt. Kostprijs: 17 miljoen Belgische frank, waarvan het Orgelcomité 2 miljoen bijeenbrengt. Op 17 maart 1996 volgt een plechtige inwijding en wordt het orgel ingespeeld. Het instrument luistert niet alleen de liturgische vieringen op. Er zijn afzonderlijke orgelconcerten en ook de leerlingen van de stedelijke Academie voor Muziek en Woord oefenen op het orgel.

Enkele onderdelen van het Loncke-orgel komen niet van de orgelbouwer: de setzer (elektronische schakeling) is van Otto Hens, de speeltafelmechaniek is van Laukhoff en het sculpturenwerk is van de hand van Donaat Vanoverschelde.

 

Parochiekerk Sint-Vincentius Ramskapelle

De neogotische Sint-Vincentiuskerk (1859) ligt aan de kronkelende dorpsweg doorheen Ramskapelle. Het kerkgebouw is gelegen binnen een ommuurd en beboomd kerkhof met grafstenen uit eind 19de en begin 20ste eeuw. Binnen de kerkhofmuur loopt een ommegang, met kapelletjes uit het tweede kwart van de 20ste eeuw.

Het orgel uit het tweede kwart van de 19de eeuw is vervaardigd door Maximilien Van Peteghem (1822-1870) de laatste telg van het geslacht Van Peteghem. Hij bouwde het orgel voor de oude kerk, in een sobere orgelkast in klassieke stijl. De kerk is in 1863-1864 afgebroken op de toren na. Omstreeks 1865 krijgt het orgel zijn plaats terug. De Brugse orgelmaker Louis-Benoît Hooghuys stelt het instrument opnieuw op. Hij bouwt het bovendien licht om omdat de muzikale smaak intussen gewijzigd is. Zo wordt de te scherpe Cornet vervangen door een zachte Montre 8v, het klavier verplaatst naar de linkerzijkant en een pedaal toegevoegd. Na de eeuwwisseling volgt nogmaals een aanpassing. In 1923 vervangt orgelmaker Jules Anneessens volgens de smaak van die tijd nog eens 2 andere originele registers: de Fourniture wordt een Voix Céleste en de Trompet een Salicional. Hierdoor verdwijnt de typische eigenheid van het instrument.

De jaren nadien geraakt het orgel sterk in verval. Het wordt in 1985 gerestaureerd door orgelmaker Frans Loncke en zonen uit Zarren. Pastoor-orgeldeskundige F. Rotsaert treedt op als adviseur. Het orgel krijgt opnieuw zijn oorspronkelijke samenstelling met 7 registers (klankleuren) en 2 speelhulpen tremulant (bevende klank) en rossignol (imitatie van de nachtegaal). De oude pijpen worden met zorg hersteld, de verdwenen pijpen worden gereconstrueerd naar oud model. Een nieuw klavier (met 54 toetsen) wordt naar oude voorbeelden terug in de rugwand ingebouwd en het pedaal verdwijnt. De fraaie klank van het orgel komt terug. Mede dankzij de schitterende akoestiek van de éénbeukige kerk is dit instrument een pareltje voor het spelen en beluisteren van orgelmuziek. Het instrument telt 548 pijpen: hiervan zijn 14 pijpen in eik, de overige zijn gemaakt uit lood en tin.

Bij de restauratie worden ook de orgelkast en doksaalbalustrade hersteld. In een beschilderde band onderaan komt een opmerkelijke en unieke band met musicerende engeltjes. Vermoedelijk is de gehele kast oorspronkelijk op deze manier beschilderd. Ook de 2 engelenfiguren bovenaan de orgelkast zijn fraai houtsnijwerk. Het orgel bestaat uit een sobere klassieke viervoetskas uit grenenhout en is in eikimitatie beschilderd. Het front is ingedeeld in drie velden, waarvan de twee buitenste als vlakke torens zijn geprofileerd. Het eveneens vlakke tussenveld brengt een binding tot stand tussen de beide torens. Het bindingswerk, gesneden uit lindehout, dat de frontpijpen in de velden afsluit, is in draperievorm vervaardigd. Twee vergulde houten engelen bekronen het geheel.

De inwijding en het inspelen vindt plaats op zondag 15 september 1985. Na de restauratie wordt het instrument op 3 maart 1986 beschermd als monument. Sindsdien is er een jaarlijks onderhoud en wordt het instrument telkens gestemd.

Het ontstaan van de kerk in Ramskapelle is onduidelijk. De westtoren is deels te dateren in de 13de of 14de eeuw. Het kerkgebouw wordt met uitzondering van de toren opnieuw opgericht in het laatste kwart van de 16de eeuw na vernielingen tijdens de godsdiensttroebelen. Er volgt een grondige wederopbouw van de kerk in 1634-1635. De doopkapel links van de ingang dateert uit 1716, het jaar dat ook aan de kerkbeuken wordt gewerkt. In 1719 beschadigt een neervallend kruis het dak van de kerk. Het dak en de torennaald worden hersteld. Er volgen opnieuw herstellingswerken aan de torenspits in 1751. In 1762 wordt de zonnewijzer geplaatst.

De kerkfabriek krijgt in 1859 de toestemming om een nieuwe neogotische kerk te bouwen (architect, provinciaal bouwmeester P. Buyck), met behoud van de oude toren. De muren van de te klein geworden kerk zijn verrot en het dak kan niet meer hersteld worden. De nieuwe neogotisch getinte kerk wordt opgetrokken in 1863-1864, enkel de oude westtoren blijft bewaard.

 

Orgelbouwers aan de slag in Knokke-Heist

Nicolaas Helewout
De Brugse organist-orgelmaker Nicolaas Helewout, geboren tijdens de2de helft van 16de eeuw, was van 1579 tot aan zijn dood in 1639 organist aan de Brugse Sint- Donaaskathedraal. Hij trad in 1590 op met de herstelling van zijn eigen orgel in de Sint -Donaaskathedraal. Nicolaas Helewout is een van de belangrijkste orgelmakers van zijn tijd. Het architectonisch stramien van zijn elegante orgelkasten zal tot in de 18de eeuw in Vlaanderen van grote betekenis zijn.

Orgelmakersfamilie Van Peteghem
De Gentse orgelmakersfamilie Van Peteghem biedt vier generaties lang in heel Vlaanderen, Frans-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen haar diensten aan. De leden van de familie Van Peteghem behoren tot de belangrijkste orgelmakers in de Zuidelijke Nederlanden in de 18de en gedurende de eerste helft van de 19de eeuw. Ze bouwen typische, eerder kleine instrumenten met zeer fraaie klanken.

De Antwerpenaar orgelmaker Davidts logeert in 1723 bij Pieter d’Oude(1708-1787) die hem de beginselen van de orgelbouwkunde bijbrengt. Na een verdere bekwamingsperiode bij de illustere Jean-Baptiste Forceville (ca.1660-1739) in Antwerpen en Brussel, vestigt Pieter zich omstreeks 1733 voor eigen rekening in Gent. Circa 1740 begint hij aan een merkwaardige reeks scheppingen in Vlaanderen. Naarmate zijn atelier uitbreidt en zijn zonen - Aegidius-Franciscus (1737-1797) en Lambert-Benoît (1742-1807) - meewerken, wordt het werkterrein uitgebreid tot het huidige Frans-Vlaanderen, Zeeuws-Vlaanderen en het toenmalige Brabant. Ze nemen de leiding over van het bedrijf. Gedrieën voorzagen ze talloze kerken in Vlaanderen van orgels.

Vanaf het midden van de 18de eeuw ontwikkelen de Van Peteghems het barokke klankbeeld van hun instrumenten, dat ze van hun leermeester J.-B. Forceville erven, naar een Vlaamse rococo. Als goede zakenlui beoefenen zij een nooit tevoren geziene zin voor marketing en ateliermanagement. De oudste zoon Aegidius-Franciscus is zeer ambulant en haalt bestellingen binnen tot diep in Brabant en Noord-Brabant (nu Nederland). De tweede zoon Lambert-Benoit staat van jongsaf aan de werktafel. In 1776 is vader Pieter te oud geworden om nog vaak op het terrein te gaan werken en associeert hij zich contractueel met zijn zoon Lambert-Benoit. Tussen 1776 en 1787 ligt het hoogtepunt in de productie van de Van Peteghem-dynastie.

Tijdens de Franse bezetting, die gepaard gaat met de sluiting van kerken en de ontmanteling van een deel van het religieus erfgoed, kent het bedrijf van de familie Van Peteghem een zware terugval. Pas rond 1820 nemen de drie zonen van Lambert-Benoît de draad terug op. De oudste twee – Pierre-Charles (1776-1852, kortweg Charles) en Lambert-Corneille - werken verder in de traditie van hun vader en grootvader. De jongste Pierre-Charles (1792-1863, kortweg Pierre) zoekt aansluiting bij de modernere stromingen binnen de orgelbouwkunst. Pierre en Charles leveren meerdere instrumenten in het noorden van West-Vlaanderen.

Pierre's zoon Maximilien neemt in 1858 de leiding van het bedrijf over, maar gaat in 1868 failliet.

Familie Hooghuys
De Nederlander Gerrit-Simon Hooghuys (1754-1813) wordt in 1787 poorter van de stad Middelburg in Zeeland. In 1806 meldt hij zich in Brugge aan als orgelmaker aan het Brugse publiek via de 'Gazette van Brugge', waar hij zich vestigt in de Vlaemingstraete, bij de Vlaemingbrugge. Hij brengt orgels over en bouwt de instrumenten om. Zijn zoon Simon-Gerard (1780-1853) komt zich in 1810 vanuit Middelburg in Brugge vestigen en raakt er bevriend met de muziekleraar Boudewijn Berger, derde zoon van de orgelmaker Dominicus I Berger en broer van de Sint-Salvator-organist en stadsbeiaardier Dominicus II Berger. Het omvangrijkste onderdeel van zijn werk bestaat wellicht uit onderhoudswerk aan diverse orgels in de provincie West-Vlaanderen.

De belangrijkste orgelmaker van familie Hooghuys is Louis-Benoît (1822-1885). Voor West-Vlaanderen is hij wellicht de meest actieve orgelmaker van de 19de eeuw. Esthetisch gezien neemt hij een eigen plaats in in het orgellandschap als een overtuigd aanhanger van de classicistische bouwstijl in zijn 19de-eeuwse interpretatie. Dit klankconcept vult hij aan met voorzichtige klankkleuren uit het romantisch palet, zonder dat zijn orgels ooit echt romantisch genoemd kunnen worden. Hij toont ook zijn interesse voor oude instrumenten uit de late middeleeuwen en de neogotiek en restaureert gotische orgels. Deze kennis past hij toe bij de bouw van het zwaluwnestorgel in de kerk van Vivenkapelle.

Niet alle orgels die vermeld worden op de werklijst van Louis-Benoît, uitgegeven door zijn zoon Aimé in 1885, zijn instrumenten van zijn hand. Een groot aantal keren pleegt hij gewoonweg kleinere of grotere ingrepen op oudere instrumenten.

Charles-Louis Van Houtte
Tijdens zijn eerder korte loopbaan als orgelmaker bouwt Charles-Louis Van Houtte (1809-1865) een niet onaardig oeuvre op. Als zoon uit een Zwevegems landbouwersgezin komt hij plots in de orgelwereld terecht. Hoe is niet nog niet bekend. Met zijn postclassicistisch werk wordt hij meestal gesitueerd binnen de Van Peteghemtraditie. Vanaf zijn eerste instrument komen deze tendensen duidelijk naar voren. In 1843 verhuist hij zijn atelier van Vichte naar het nabijgelegen Waregem, waar hij overlijdt.

Familie Loncke
Het vroege werk van Pieter Loncke (1821-1897) is gesitueerd binnen de Van Peteghemtraditie. Als zoon van een landbouwer-wever uit Hoogstade is hij bezeten door alles wat met mechaniek te maken heeft. Op zestienjarige leeftijd komt hij in contact met orgelmaker Charles-Louis Van Houtte. De relatie tussen deze jonge man en de iets oudere orgelmaker moet van bij het begin positief geweest zijn. Volgens een mondelinge overlevering zou Pieter Loncke als leerjongen gewerkt hebben in het Waregemse atelier van Van Houtte. Kort daarop bouwt hij zijn eerste instrument in het Frans-Vlaamse Buysscheure (1842), het begin van een lange orgelmakerstraditie die tot vandaag nog voortduurt.

In 1889 neemt zijn zoon (Frans-Xavier) Frederik (1862-1933) het bedrijf van zijn vader over. Hij is van opleiding kosterschoolmeester, gevormd aan de bekende kostersschool te Torhout. Naast orgelmaker blijft hij zijn hele leven ook literator. Als orgelmaker is zijn loopbaan eerder beperkt. In volle schoolstrijd (1879-1884) wordt hij koster-organist te Ekelsbeke in Frans-Vlaanderen. Na het overlijden van de orgelmaker Neuville uit Rexpoëde, opent hij het eerste Loncke-atelier over 'de Schreve' in Hondschote. Het West-Vlaamse atelier is al in 1901 overgebracht naar Esen bij Diksmuide. De oorlog verwoest het atelier volledig en de archieven van zijn werk en dat van zijn vader worden vernield. In een werkperiode van 25 jaar buigt hij het postclassicisme van zijn experimenterende vader op een voorzichtige wijze om naar het romantische klankideaal van zijn tijd. De werklijst van de twee eerste generaties volledig reconstrueren is moeilijk.

Het duurt tot 1924 vooraleer de volgende generatie het atelier opnieuw opstart. Het atelier is intussen van Hoogstade naar Esen verhuisd, en krijgt de naam Loncke-Vansteene onder de leiding van Pieter II (°1901). In 1946 bouwt Jos Loncke (1895-1958), oudste zoon van Frederik, samen met zijn broer Pieter II (°1901) zijn eerste instrument, bovendien het eerste met een pneumatisch systeem met kegelladen. De belangrijkste bijdrage van Jos I is wellicht de aansluiting van de orgelcultuur in West-Vlaanderen bij de in het buitenland reeds gekende neobarokke orgelstijl. Het uitgangspunt van zijn orgelkunst ligt echter bij de laatromantische instrumenten van zijn vader Frederic.

Frans Loncke (°1921) volgt zijn vader op, samen met zijn broers Gerard (1923-1968) en Gabriel (°1932). Na het overlijden van zijn broer Gerard en het vertrek van Gabriel uit het voorvaderlijk atelier in de jaren 70 werkt hij verder onder de naam Loncke Orgelbouw BVBA tot in 1996. Samen met zijn zonen Jos (°1947), Johan (°1948) en Marc (°1950) bouwt hij zijn bedrijf uit tot het belangrijkste West-Vlaamse orgelbouwatelier van de 20ste eeuw. Frans start in Zarren ondertussen met een pijpengieterij, die uitgroeit tot het huidige orgelatelier. Hun vertrouwd zijn met de restauratiepraktijken draagt in belangrijke mate bij tot het opdrijven van hun kwaliteit als orgelmakers. Frans Loncke begint als een typisch vertegenwoordiger van de late neobarokke orgeltraditie, maar door meer en meer te restaureren komt hij vanaf het midden van de jaren ‘70 van vorige eeuw in de ban van de meer historische werkwijze. Niet alleen in West-Vlaanderen maar ook buiten de grenzen van West-Vlaanderen provincie weet hij naam te maken als restaurateur.

Sinds 1996 is het atelier Loncke in de handen van Jos II (°1947) en zijn zonen Koen (°1971) en Kurt (°1973).

 

Naar hoofdpagina  /   Naar OMD 2006