>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek
HomeActiviteitenActiviteiten 20062006 - Open Monumentendag - Over kunst, architectuur en toerisme in Knokke
titel_heist
Vanaf de 11de eeuw vestigen boeren en vissers zich op een hoogte in het schorrengebied ten noorden van Brugge en stichten Koudekerke. De parochie wordt voor het eerst vermeld in 1221. Er wordt een kapel (later vervangen door een voeggotisch kerkje) gebouwd met omliggende begraafplaats.

In de 13de eeuw schenkt de Graaf van Vlaanderen twee leenhoven aan de heren die hebben geholpen bij het bouwen van de dijken en de inpoldering van het noordoostelijk gebied van onze kustlijn. Het gaat om twee leenhoven van de parochie Lissewege: het Hof van Koudekercke (ten zuiden van de Evendijk) en het Hof van Heys (aan de zeekant van de dijk). Op het achterleen van het Hof van Heys vestigen vissers zich eerst dichter bij zee verspreid in de duinen en vormen later de kern van Heis/Heys. Rond 1400 zou de woonkern uit een 50 tal woningen bestaan. In 1405 gaan Engelsen aan het plunderen. Ze stichten brand in heel wat huisjes. In 1458 (of 1485) volgen ook plunderingen en brandstichting door de troepen van Maximiliaan van Oostenrijk. Vanaf 1550 wordt de benaming Heyst gebruikelijker.

In de 15e eeuw zijn Nieuwpoort, Oostende en Duinkerken de belangrijkste Vlaamse visserijhavens. Deze drie ‘zeesteden’ beschikken over een haveninstallatie waar de grote visserschepen kunnen aanleggen. Ze hebben quasi een monopolie op de kaakharing. De kleine visserij en de kustvangst zijn het aangewezen bedrijf van de vissersdorpen. Heist telt in 1480 in Heist twee schepen en in het naburige Blankenberge zijn elf schepen actief in de kustvisserij.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) gaat de vissersactiviteit zo goed als teloor. Nieuwpoort en Oostende worden belegerd. Veel Vlaamse vissers wijken uit naar het noorden. Af en toe kan er nog gevist worden met de allerkleinste vaartuigen.

De Oostenrijkse keizer stimuleert in de 18de eeuw de economie in de Zuidelijke Nederlanden. Deze wederopbouw heeft vooral plaats in Oostende en Nieuwpoort, waar schepen met een kiel de haven kunnen binnenlopen. Onder keizerin Maria-Theresia worden de eerste vissers terug vermeld in Heist. In 1780 zou de Heistse vloot 8 vissersboten tellen, vooral actief in de ‘verse visvangst’ op wijting, griet, sprot, tarbot, rog, krab, mosselen, robaard, tong, schar, gul en garnaal. Het visgebied van de Heistse vissers ligt dan tussen de Schouwenbank en de boei van Thornton-ridge. Meestal is een boot twee tot drie dagen op zee.

Na 1805 komt de zeevisserij tijdens de Napoleonistische tijd bijna tot stilstand. Strenge wetten maken vissen op zee nagenoeg onmogelijk. Zo mag er niet gevist worden vóór zonsopgang en na zonsondergang. Bovendien eist het leger vaartuigen op. Vissers moeten onder de wapens als soldaat of matroos op de oorlogsvloot. Heist telt nog vier schuiten.

Na dit dieptepunt begint de Vlaamse visserij in de 19de eeuw aan een nieuwe bloei door het gebruik van de korre (trechtervormig visnet), het gebruik van ijs in plaats van zout (pekel) en de overschakeling naar de stoommachines. Maar stoomloggers en –treilers kunnen enkel de zeehavens aandoen. Strandhavens zoals in Heist, Oostduinkerke en De Panne zijn gedoemd om te verdwijnen. In Heist blijft de strandvisserij nochtans tot in de 20ste eeuw voortleven.

heist_visserskapelIn 1870 wordt de eerste garnaalschuit te water gelaten. De garnaalvangst, die minder dan een dag in beslag neemt, gebeurt tussen West-Hinder en de Nederlandse grens voor Nieuwpoort. Aan het einde van de 19e eeuw worden de garnalen op zee gekookt. In 1907 vissen alle sloepen een bepaalde tijd van het jaar op garnaal.

Na het doortrekken van de stenen zeedijk tot aan het Kursaal (vanaf 1870) verliezen de vissers hun ligplaats. Het middenstrand is voorbehouden terrein voor de baders, waardoor de aanlegplaatsen verhuizen naar het oosten. In de Pannenstraat en omgeving (bijvoorbeeld Moefe en De Garre) komt een nieuwe visserswijk, ook Oostdorp genoemd.

In de 19de eeuw groeit de Heistse vissersvloot gestaag:
- 1850: 20 schuiten met 100 bemanningsleden
- 1885: 38 schuiten met 190 bemanningsleden
- 1895: 46 schuiten met 182 bemanningsleden
- 1905: 60 schuiten met 234 bemanningsleden

De vissersboot bij uitstek is de Heistse schuit. Na de bouw van de haven van Zeebrugge, verhuizen vanaf 1907 de Heistse vissersboten één voor één naar de nieuwe haven.

Heistse schuit

Vanaf de 15de eeuw varen vissers aan de Vlaamse kust met een schuit die tot het eind van de 18de eeuw zeer verspreid is. Deze Vlaamse schuit blijft in de 19de eeuw verder bestaan als Blankenbergse of Heistse schuit. De platboomde (= platte bodem) schuit bezit een midscheepse en een fokkenmast, elk voorzien een vierkant loggerzeil. Een schuit is ongeveer 11 meter lang, 5 meter breed en 2 meter diep en kan 15 à 20 ton bevatten. Een zwaard aan beide zijden bewaart het evenwicht. De schuit gelijkt op een open schip. Onder de voorplecht is een kleine leefruimte gebouwd en onder de achterplecht is plaats om materiaal op te bergen. In 1871 krijgt Blankenberge zijn kleine haven en gebeurt een vrij snelle omschakeling van de logge platte schuiten naar snellere kielboten. In Heist blijft de schuit nog in gebruik en wordt aangepast: volledige overdekking van de open en langstuiging in plaats van dwarstuiging.

 

Naar hoofdpagina  /   Naar OMD 2006