>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek
Open Monumentendag 2008 - Wandeling Prins Karelwijk (Het Zoute)

Wandeling met gids om 10, 14 en 16 uur
Duur: 1,30 uur
Afstand: 5 km.

Tocht zonder begeleiding mogelijk.

 Klik hier voor de on-line versie voor download (file voor GPS) of print (zelf te printen papieren versie).

Hebt u liever een gedrukte brochure. Dan kunt u deze aanschaffen in Sincfala, Museum van de Zwinstreek voor 2,50 euro.

Terug naar OMD 2008

wandelingduinbergen_brochureWandeling met gids om 10, 14 en 16 uur
Duur: 1,30 uur
Afstand: 5 km.

Tocht zonder begeleiding mogelijk. Brochure van de provincie West-Vlaanderen in het kader van de Erfgoedwandelingen langs de kust is te koop aan 2,50 euro in Museum Sincfala.

Opgelet: De wandeling is niet on-line beschikbaar.

Terug naar OMD 2008

 

Bieke Hillewaert
Raakvlak, Intergemeentelijke Dienst voor Archeologie in Brugge en Ommeland

Met medewerking van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel en van D. Jones uit Knokke-Heist

2008OMD_romeinse-potEen Romeinse pot uit Heist

Aan het strand van Knokke en Heist worden in het begin van de 20ste eeuw verschillende archeologische vondsten gedaan. Het gaat in vele gevallen om middeleeuws aardewerk maar soms ook om Romeins of pre-Romeins vaatwerk.

Van de vele vondsten wordt in de museale collecties nauwelijks nog iets terug gevonden. Een uitzondering is deze Romeinse pot. Het gaat om een gedeeltelijk gerestaureerd stuk in lokale grijze waar.

De zogenaamde "urne van Heist" wordt bewaard in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.

Bronzen aquamanile uit Knokke-Heist

2008OMD_aquamanileIn de zomer van 1967 vindt F. Van Overmeiren uit Duinbergen, bij het uitdiepen van een afwateringssloot langs de spoordijk Brugge-Knokke, een beschadigd en sterk aangekorst bronzen kannetje op ca. 1m onder het maaiveld.

De vindplaats is te situeren enkele tientallen meter ten zuiden van de hoeve Ter Poorte in de Vardenaarspolder.

Het gaat om een gegoten bronzen kannetje met licht gebogen tuit en lintvormig handvat, oorspronkelijk rustend op drie pootjes, waarvan slechts één volledig is bewaard. Het stuk is te dateren in de 14 de – vroege 15de eeuw.

Dergelijke kannen worden in de Middeleeuwen gebruikt om de handen te wassen, meestal in combinatie met grote metalen wasbekkens. Dit kan gebeuren in een liturgische context, maar het gewone, wereldlijke gebruik lijkt belangrijker te zijn.

Referenties in literatuur en collecties

Archeologische waarneming uit 1907 in Heist, waarbij dierenbeenderen, en middeleeuws schervenmateriaal, ijzeren nagels, schoenzolen, bakstenen, oesterschelpen, enz. aan het strand worden gevonden. Het gaat wellicht om de resten van een nederzetting die bij hoog water vrij komt te liggen. De vondsten zijn helaas verdwenen.

A. De Loë, Fouilles à Heyst-sur-mer, Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles, 1910, p. 205

Archeologische waarneming uit 1908 in Heist, waarbij op het strand Romeins aardewerk wordt aangetroffen. De vondsten zijn helaas verdwenen.

A. De Loë, Fouilles à Heyst-Ecluses, Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles, 1910, p. 205

In Heist worden in 1906 door Baron De Maere d'Aertrycke aan het strand scherven gevonden van aardewerk uit de volle Middeleeuwen (10de – 12de eeuw) en een fragment in zogenaamde terra sigillata uit de Romeinse periode.

M. De Maere D'Aertrycke, Recherches à Middelkerke, à Raversyde et à Heyst-sur-mer, Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles, 1907, pp.488-489

Vermelding van de aanwinst van een "vase romain de type régional trouvé à Heyst", in de collecties van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel in 1933. Het gaat wellicht om de pot die tot op vandaag bewaard gebleven is en hier tentoongesteld wordt.

 Vorig                                                                                                                                               Terug naar  OMD 2008

Bieke Hillewaert
Raakvlak, Intergemeentelijke Dienst voor Archeologie in Brugge en Ommeland

Aimé Louis Rutot

2008OMD_rutotRutot (1847 - 1933) is opgeleid als geoloog en werkt in het begin van de 20ste eeuw als conservator aan het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel. Hij houdt zich vooral bezig met paleontologie.

In het begin van de 20ste eeuw doet hij op de site Boncelles in de Ardennen vondsten van primitieve stenen werktuigen, zogenaamd eolithen, in formaties uit het Oligoceen (tussen 25 en 38 miljoen jaar oud). De ontdekkingen trekt veel aandacht, ook internationaal. Rutot wordt één van de meest overtuigende vertegenwoordigers van eolithen als eerste menselijke werktuigen. Hij argumenteert dat het gebruik door de mens de stenen in eolithen heeft veranderd, zelfs al is dit niet bewust gebeurd. Rutot's argumenten houden echter geen stand. Al in de jaren '30 toont wetenschappelijk onderzoek definitief aan dat natuurlijke krachten de stenen hebben gevormd.

Tijdens zijn ambtstermijn als conservator aan het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen en naast zijn carrière als natuuronderzoeker is Rutot zelf een verzamelaar en een energiek verwerver van collecties.

Rutot interesseert zich daarnaast ook voor archeologische vondsten. In 1898 volgt hij als geoloog de graafwerken voor het Boudewijnkanaal en voor de haveninstallaties te Zeebrugge en Fort Lapin. Hij doet er ook talrijke archeologische ontdekkingen, meer bepaald uit de pre-Romeinse en Romeinse periode. Samen met Gillès de Pelichy is hij de ontdekker van de Romeinse boot en nederzetting te Fort Lapin. Rutot en baron de Loë dateren de boot in de tweede helft van de 11de eeuw. Pas veel later blijkt dat de boot uit de Romeinse periode dateert.

Alfred de Loë

Baron de Loë (1858 - ) is op het einde van de 19de eeuw adjunct-conservator bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis aan het Jubelpark in Brussel. Hij sticht de Société Royale d'Archéologie de Bruxelles en de « Rijksdienst voor Opgravingen » in 1903, waarvan hij de eerste directeur wordt. Hij kan worden beschouwd als de grondlegger van het professionele archeologische onderzoek in België.

De belangrijkste opdracht van de nieuwbakken opgravingsdienst is de opvolging van werken waarbij archeologische vondsten aan het licht kunnen komen, de zorg voor een optimale bewaring van de stukken en de studie van de lagen waarin de vondsten gedaan worden. Op deze manier gebeuren “nood”opgravingen in de echte betekenis van het woord. De sporen worden gefotografeerd, tussen de werken door ingetekend en de vondsten ingezameld. Bij de opgravingen wordt er zorgvuldig onderzoek verricht, waarbij stalen worden genomen voor verdere analyse. Men gebruikt een truweel, een borstel en een pincet. In 1903 wordt er voor het eerst een bedrag (maximaal 2.000 Belgische frank) bestemd voor archeologisch onderzoek.

De resultaten van het archeologische onderzoek worden tentoongesteld in de zalen van Oud-België, in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Baron de Loë is de conservator en grote bezieler achter deze afdeling.

Samen met zijn assistent Rahir, doet baron de Loë ook heel wat waarnemingen in het noorden van West-Vlaanderen en publiceert hij talrijke vondsten die in het gebied door amateur-archeologen zijn gedaan. Noodopgravingen en toevalsvondsten vinden onder meer plaats in Brugge (Fort Lapin), Zeebrugge, Heist, Knokke, Torhout en Varsenare.

Edmond Rahir

Rahir is afkomstig uit Sint-Joost-ten-Noode (1864 - 1936). Hij start met studies aan de universiteit, maar moet opgeven wegens gezondheidsredenen.

Zijn carrière begint met het opstellen van toeristische gidsen. Zo ontmoet hij baron de Loë, adjunct-conservator aan het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis aan het Jubelpark te Brussel en directeur van de “Rijksdienst voor Opgravingen”.

In 1903, op 39-jarige leeftijd, wordt Rahir tot attaché benoemd in het museum aan het Jubelpark. In deze hoedanigheid is hij de adjunct van baron de Loë en leidt hij verscheidene opgravingen. In 1925 volgt Rahir baron de Loë op als adjunct-conservator.

Rahir verricht tal van archeologische opgravingen in heel het land. Hij wordt aanzien als voorganger van de moderne archeologie. Hij is auteur van talrijke boeken en artikelen i.v.m. onder meer archeologie, natuurbehoud en de invloed van de wind op de duinen.

Samen met baron de Loë doet Rahir heel wat waarnemingen in het noorden van West-Vlaanderen. Noodopgravingen en toevalsvondsten vinden onder meer plaats in Brugge (Fort Lapin), Zeebrugge, Heist, Knokke, Torhout en Varsenare.

In 1928 publiceert Rahir een overzicht van de activiteiten van de “Rijksdienst voor Opgravingen” vanaf zijn oprichting in 1903.

Maurice de Maere d'Aertrycke

2008OMD_demaereBaron Maurice de Maere (1864 – 1941) wordt te Gent geboren als zoon van Emiel de Maere en Laura van Zuylen de Bisthoven. Al van op de lagere school toont hij een grote aanleg en nieuwsgierigheid voor alles wat wiskunde en geschiedenis aangaat. Hij vat hogere studies aan te Gent en vervolledigt die aan de Koninklijke Militaire School te Brussel. In 1893 huwt hij met de zuster van de toenmalige gouverneur, Jeanne Janssens de Bisthoven. Op het politieke vlak speelt hij een eerder bescheiden rol, enerzijds als afgevaardigde voor het arrondissement Brugge in het Parlement, anderzijds als schepen in de gemeenteraad van Aartrijke.

Hij verwerft een zekere bekendheid als amateur-archeoloog. Wij vinden bijdragen van zijn hand in diverse tijdschriften. Het betreft enkele bijdragen die handelen over militaire onderwerpen, bijdragen die handelen over de Guldensporenslag en talrijke bijdragen die handelen over de voorgeschiedenis van een aantal West-Vlaamse vindplaatsen.

Baron de Maere doet onder andere heel wat steentijdvondsten in het gebied Torhout–Aartrijke.

Hij is de neef van baron August de Maere d'Aertrycke (1820 - 1900), "vader" van Brugge Zeehaven. Maurice de Maere is de bouwheer van het kasteel de Maere d'Aertrycke. Hij overlijdt op 1941 in Brugge tijdens de 2de wereldoorlog.

Vorig                                                                                                                                                 Terug naar OMD 2008

Bieke Hillewaert
Raakvlak, Intergemeentelijke Dienst voor Archeologie in Brugge en Ommeland

Archeologisch onderzoek in Knokke-Heist

Het prille archeologische onderzoek in Brugge en ommeland gaat terug tot de late 19de en het begin van de 20ste eeuw. Dan al doen lokale amateur-archeologen zoals Charles Gillès de Pélichy, Maurice de Maere d'Aetrycke, Aimé Rutot, Juliaan Claerhout en later ook Maertens de Noordhout en Roger Crois vondsten en waarnemingen. In dezelfde periode voeren Edmond Rahir en Alfred de Loë, verbonden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, de toenmalige “opgravingsdienst”, het eerste archeologische onderzoek uit. Dankzij het onderzoek van deze pioniers is heel wat informatie van de vernieling bewaard gebleven.

Naar aanleiding van het thema 20ste eeuw van OMD 2008 wil Raakvlak, Intergemeentelijke Dienst voor Brugge en Ommeland, het werk van deze en andere late 19de- en 20ste-eeuwse onderzoekers in de schijnwerker plaatsen. In een beknopte tentoonstelling die in de meeste partnergemeentes van Raakvlak (Brugge, Jabbeke, Knokke-Heist, Torhout en Zedelgem) wordt opgesteld zullen enkele vondsten van dit prille onderzoek getoond worden. Daarnaast worden de onderzoekers en hun werkmethode voorgesteld.

2008OMD_zeebrugge1904Sfeerbeeld van een archeologische opgraving in het begin van de 20ste eeuw (Zeebrugge, 1904)

Langs het strand van Knokke en Heist worden in de late 19de en het begin van de 20ste eeuw heel wat vondsten gedaan, onder meer door de baron de Maere d'Aaetrycke en Rutot, een geïnteresseerde geoloog, maar ook door de professionele archeologen De Loë en Rahir.

Ook daarna grijpen er op het grondgebied van Knokke-Heist nog vondsten plaats. Een voorbeeld hiervan is een bronzen aquamanile die in 1967 bij het uitdiepen van een gracht wordt aangetroffen.

Een onderzoek naar de onderzoekers

Het is voor het eerst dat een – weliswaar kleinschalige – studie gebeurt naar de pioniers binnen het archeologische onderzoek in Brugge en ommeland. Het is onmiskenbaar dat de mens in het verleden herhaaldelijk op vondsten uit een nog verder verleden is gestoten. Helaas zijn daar slechts zelden sporen van terug te vinden. Een mooi, maar tegelijk uitzonderlijk voorbeeld zijn de “Albums Ledoulx” uit de 18de eeuw, waarin heel wat archeologische voorwerpen zijn afgebeeld. Talrijke stukken zijn afkomstig uit de collectie van Joseph van Huerne, een voormalig Brugs burgemeester.

De eerste golf van belangstelling voor het archeologisch verleden van de eigen streek, waarvan gegevens bewaard zijn, is te situeren op de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw. Aanvankelijk is de interesse voor archeologie een hobby voor rijke heren van adel. Baron de Loë in Brussel, baron de Maere d'Aertrycke en baron Gillès de Pélichy in West-Vlaanderen, Maertens de Noordhout in Gent, allen voorbeelden van adellijke personen met een passie voor archeologie. Een uitzondering is Claerhout, een West-Vlaams priester. In de meeste gevallen beperkt hun bijdrage aan het archeologisch onderzoek zich tot het verzamelen van oppervlaktevondsten, zoals steentijdmateriaal. Soms gebeuren er opgravingen, vrijwel steeds echter op een zeer amateuristische wijze. Dankzij de inbreng van baron de Loë, die de eerste nationale archeologische dienst opricht en ook een aantal lokale amateurs begeleidt, wordt de kwaliteit van het onderzoek heel wat beter.

Van dit prille archeologische onderzoek zijn vooral vondstmeldingen en artikelen in allerlei – meestal Franstalige – tijdschriften bewaard. Helaas zijn de meeste vondsten zelf verloren gegaan. Een zoektocht in nationale en lokale musea heeft bitter weinig opgeleverd.

Terug