>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek
titel_literatuur
* Ballegeer, Johan - Molens in de Zwinstreek. In: Rond de Poldertorens 47ste jg. (2005), nr. 2, p. 39-75
* Bonte, Jozef – De geschiedenis van de St.-Margaretaparochie Knokke – Jozef Bonte (2001)
* Cornilly, Jeroen - Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel III. Arrondissementen Brugge, Diksmuide, Oostende en Veurne, Brugge (2005)
* Devliegher, Luc – Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 9: De molens in West-Vlaanderen – Lannoo (1984)
* Fauconnier, A. & Roose, P. – Het Historisch Orgel in Vlaanderen deel IVa Provincie West-Vlaanderen (Arrondissementen Brugge en Oostende) – Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Bestuur voor Monumenten & Landschappen (1986)
* Fauconnier, A. & Roose, P. – Orgels van Vlaanderen - Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Bestuur voor Monumenten & Landschappen
* Lannoo, Luc & D’Hooghe, Kamiel – West-Vlaamse orgelklanken – Marc Van de Wiele (1997)
* Lannoy, Danny - Knokke-Heist Terugblik, Maldegem (1998).
* Ryckaert, Marc - Molenrestauraties in West-Vlaanderen. In: In de Steigers X (2003), p. 91-95
* Ronse, Alfred – De windmolens – Uitgevrij C. De Vries-Brouwers (1976) – anastatische herdruk van de uitgave gedrukt in 1934 bij Drukkerij Sint-Augustinus te Brugge
* Sint-Lukasarchief Brussel - Inventaris van het bouwkundig erfgoed in de villawijk Duinbergen te Knokke-Heist, deel I-IV, in opdracht van WITAB, mei-juni 1996.
* van den Bossche, Karel – De Molen als symbool (deel 1 en 2) – Centrum voor Molinologie (1998)
* Welvaert, F. - Toerisme: verschijnsel in tijd en ruimte. In: Welvaert F., 2000 jaar Zwinstreek, Knokke (1985), p. 68-80

 

titel_colofon
Met dank aan

De gidsen: Jozef Bonte, Alex Deschutter, Michel Vanhalme, Johan Comer, Kristine Liebaert en Luc Van Rillaer.

OMD-medewerkers: Wilfried Callant, Jan Braet, Erwin Neve, Patrick Proot, E.H. Lieven Soetaert, E.H. Philippe van den Driessche , Philippe Vanrysselberghe en Jan Vansteenkiste.

De museummedewerkers: Danny Lannoy, Fons Theerens, Estelle Slegers, Charlotte Van Wynsberghe, Sonja Senave, Marijke Heyneman, Luc Stepman, Ronny Janssens en Jeffry Chielens.

De brochure Open Monumentendag 2006 Knokke-Heist is gratis te verkrijgen aan de balie van Sincfala, Museum van de Zwinstreek, Pannenstraat 140, 8300 Knokke-Heist. Ze kan ook meegenomen worden op één van de locaties en bovendien verkregen worden bij deelname aan een wandeling of de fietstocht.

 

Naar hoofdpagina  /  Naar OMD 2006

titel_kinderen

Bordspel: De Romeinse handel en wandel

kinderen_bordspelLeerkrachten van 5de en 6de leerjaar basisonderwijs uit Knokke-Heist kunnen het educatieve spel De Romeinse handel en wandel ontlenen. De basis is een kaart van het gebied tijdens de Romeinse periode, met daarop de huidige gemeentegrenzen, het Romeinse landschap (kustlijn, geulen, schorrengebied, zandstreek, waterlopen) en sites en Romeinse wegen. Het is de bedoeling om over de wegen te reizen, van site naar site, om lokale en geïmporteerde goederen te verhandelen. De karretjes waarmee gereisd wordt, evenals de goederen zijn driedimensionaal aanwezig (miniatuur Menapische hespen, komkommers, zout e.d.).

De hele klas speelt het spel samen, Een twintigtal leerlingen worden in kleinere groepjes verdeeld. De spelduur is ongeveer één uur.

Het spel is ontwikkeld door Raakvlak, de Intergemeentelijke samenwerking tussen Jabbeke, Brugge en Zedelgem in samenwerking met Ginter, een intergemeentelijke cultuursamenwerking tussen de Torhout, Gistel, Ichtegem, Middelkerke, Zedelgem en Oostkamp.

© Raakvlak – Bruggemuseum

 

Romeinse invloed in onze gewesten

Archeologen en andere gravers diepen wel eens voorwerpen op uit de Romeinse tijd. Het bindend element tussen een reeks gemeenten van de Oostkust en het hinterland is het Romeins wegennet. Een fraai voorbeeld van samenwerking rond import! Een kleine tentoonstelling in de Oude Kaartenkamer van Sincfala geeft een stand van zake.

Tijdens de Romeinse tijd bevindt de gemeente Knokke-Heist zich volledig in het kustgebied, waar de zee – door het ontbreken van dijken – geregeld inbreekt. Aan het begin van de Romeinse tijd is de invloed van de zee betrekkelijk gering. Tussen de getijdengeulen en de kreken ontstaan er schorren die alleen bij hoogtij nog worden overstroomd. In het gebied bevinden zich ongetwijfeld paden die de kust met de zandstreek verbinden.

Zoutwinning
De vele Romeinse vondsten in de kustvlakte wijzen er op dat het gebied toegankelijk is en voor allerlei activiteiten kan gebruikt worden. De activiteiten zijn er vermoedelijk seizoensgebonden: de jacht op waterwild gedurende het koude seizoen, tijdens de zomermaanden het hoeden van schapen en geiten op de schorren en zilte weiden en de zoutwinning.

Op het grondgebied van Dudzele en Ramskapelle werden op verschillende plaatsen sporen van zoutwinning aangetroffen. Dit laatste gebeurt langs de getijdengeulen en is een behoorlijk precies werk. Men laat het zeewater verdampen in bakjes boven een stookplaats en verkrijgt op die manier blokjes zout. De resten van dit procédé beperken zich vaak tot nauwelijks te herkennen fragmenten van bakjes, roosters en steunelementen uit gebakken klei.

Transport over zee
Het leidt geen twijfel dat er tijdens de Romeinse tijd een vrij intens verkeer was tussen onze gebieden en de Britse eilanden. Rond 1900 werden te Brugge/Fort-Lapin op de rand van een kreek de resten van een Romeinse boot gevonden. Het vaartuig was zeewaardig en werd wellicht gebruikt voor vervoer en/of handel over zee.

In de netten van vissers die op de Noordzee varen, komen soms ook Romeinse voorwerpen terecht. Deze zijn wellicht afkomstig uit de wrakken van Romeinse schepen. Enkele stukken behoren tot de categorie van het importaardewerk uit Zuid-, Centraal- of Oost-Gallië. Het is niet ondenkbaar dat de stukken oorspronkelijk deel uitmaakten van de koopwaar van een handelaar.

 

Naar hoofdpagina  /  Naar OMD 2006

titel_zwin
Het Zwin ligt ingesloten tussen de duinen en een hoge dijk en staat via een geul in verbinding met de Noordzee. Het Zwin is het laatste overblijfsel van de historische toegangsgeul naar het middeleeuwse Brugge. Een omvangrijke natuurlijke duinengordel scheidt het reservaat van Knokke-Het Zoute. Het gebied is 150 hectare groot ligt voor 125 ha op Belgische en voor 25 ha op Nederlands grondgebied.

Het Zwin is al sinds 7 april 1939 een beschermd landschap. Maar ondanks deze bescherming wordt het met de regelmaat van de klok bedreigd. Zo worden plannen van de Belgische regering verijdeld om Breskens met Het Zoute te verbinden door een baan met een tramspoor dwars door het Zwin aan te leggen. In 1950 ontstaat er heel wat beroering over de eenzijdige beslissing van Nederland om de Zwinmonding af te sluiten met een dam. Onder druk van de publieke opinie en de media komen er onderhandelingen tussen de Belgische en de Nederlandse regeringen. Nederland stemt in met het graven van een nieuwe toegangsgeul tot het Zwin tussen het einde van de duinreep en de opgeworpen dam. De uitvoering is van lange adem en het effect is beperkt. De vrees groeit dat de Zwinvlakte nog slechts een 2-tal keren per jaar onder water zou komen, wat het geleidelijk verdwijnen van de typische flora en fauna en het einde van Het Zwin zou betekenen.

Naar aanleiding van al deze gebeurtenissen beslist Graaf Léon Lippens in 1952 om het gebied tot het eerste Belgische natuurreservaat uit te roepen. Toen een gedurfde beslissing. Hij laat het gebied omheinen, vaardigt een reeks beschermingsmaatregelen uit en plaatst het gebied onder toezicht van enkele wachters. De Koninklijke villa krijgt restaurant als bestemming. De omliggende tuin wordt ingericht met kooien, waardoor bezoekers van dichtbij kennis maken met de vogels die ze tijdens hun wandeling in het natuurreservaat enkel van ver kunnen waarnemen. De combinatie van dit educatief vogelpark met het uitgestrekt natuurreservaat is in die tijd baanbrekend.

De storm op 1 februari 1953, die langs onze kust en vooral in Zeeland rampzalige gevolgen heeft, slaat ook de (Nederlandse) dam in de Zwinmonding weg. Daarmee is het grootste gevaar voor het droogvallen van het Zwin voorlopig geweken. In 1960 worden de activiteiten op de luchthaven stopgezet. De graspistes worden in weilanden opgesplitst en aan boeren verpacht. Waar Sabena-toestellen opstijgen en landen, ontstaat een druk vogelverkeer.

Nu bestaat Het Zwin uit een vogelpark, een gedeelte van het reservaat dat publiek toegankelijk is en een deel waar fauna en flora heer en meester zijn en publiek niet welkom is.

ZwinHet is de enige plaats aan de Belgische kust waar de natuurlijke opeenvolging zee/strand/duinen/schorre/grasland nog te zien is. Tweemaal per dag stroomt bij hoog tij een grote hoeveelheid zeewater het gebied binnen. Hierdoor heeft het Zwin een bijzondere plantenrijkdom en is het één van de rijkste vogelgebieden in ons land. De helft van in België waargenomen vogelsoorten zijn in dit gebied al gezien. Het is een favoriete plaats voor zee- en landvogels. Het Zwin is niet alleen een ideaal broedgebied voor veel vogelsoorten. Ook voor heel wat trekvogels die de kustlijn (trekroute) volgen is het ook een belangrijke tussenstop op hun lange reis. Het is als het ware een internationale vogelluchthaven. In het voorjaar komen vogels uit zuidelijke gebieden om hier te broeden en vanaf het einde van de zomer weer richting Afrika te trekken om daar te overwinteren. In het najaar arriveren ook vogels uit het Noorden om in Het Zwin een minder koude winter door te brengen en in het voorjaar weer richting Scandinavië te trekken. Het Zwin is ook geknipt voor vogels die willen uitrusten en op krachten komen in een voedselrijke plaats.

Het reservaat is het meest gekend voor zijn ooievaars (Ciconia Ciconia). Deze mooie vogel was in deze regio uitgestorven, maar dankzij een heel succesvol voortplantingsprogramma zijn ze tot het symbool van het natuurreservaat uitgegroeid.

 

Naar hoofdpagina  /  Naar OMD 2006

titel_duinbergen
Tussen de badplaats Heist-aan-Zee, die zich in het laatste kwart van de 19de eeuw ontwikkelt, en het grondgebied van Knokke, bevindt zich voor 1900 een groot onontgonnen duinengebied. Het is eigendom van de familie Serweytens. In 1893 richt kleinzoon van Charles Serweytens, Donat Van Caillie (1871-1947), advocaat in Brugge, in de duinen een houten gebouw op om wandelaars te ontvangen. Hij noemt het ‘Zeebergen’, maar doopt het al snel om tot ‘Duinbergen’ om verwarring met Zeebrugge te voorkomen. In 1900 wordt ‘Les Chardons’ gebouwd, de eerste villa van Duinbergen. In 1901 richt Van Caillie in Brugge de ‘Société Anonyme de Duinbergen’ op, met als doel een volledig nieuwe badplaats te ontwikkelen.

De gronden van de familie Serweytens die voor dit project worden gekozen, lopen over een breedte van 400 meter en over een oppervlakte van 25 hectare. Voor het ontwerp doet de Société een beroep op de Duitse architect en urbanist Joseph Stübben. Hij gebruikt vier basisprincipes bij het ontwerpen van Duinbergen: het bewaren van de duinen, het vermijden van rechte straten, aandacht voor ruimte in de badstad (Europaplein, Stübbenpark, Sint-Michielsplein) en het optrekken van geïsoleerde gebouwen met een tuin om tot een tuinbadplaats te komen. Stübben groepeert op drie plaatsen kernen van aaneengesloten bebouwing: rond de kerk, aan het tramstation en langs de zeedijk. Alle andere bouwblokken zijn voor losstaande villa's voorbehouden. In zijn verkavelingsplan door de duinen gaat hij hiërarchisch te werk. De zeedijk, de Elisabetlaan langs de aanwezige tramlijn van 1890 en de Duinbergenlaan van het tramstation tot aan de zeedijk vormen de hoofdstraten. Andere straten zijn minder breed aangelegd omdat ze geen doorgaand verkeer moeten verwerken. Tussen de villa’s lopen wandelpaden.

Het oorspronkelijk plan voorziet vier openbare gebouwen: een station, een kerk of kapel, een kursaal en een restaurant op de Vossenhul, een duinentop met panoramisch uitzicht. Het kursaal en restaurant komen er nooit. Het verkavelingplan wordt niet over heel de lijn gerespecteerd. De Société zorgt voor eigen details binnen de verkaveling. In de voorziene woonblokken worden bijkomende paadjes getrokken om dichtere bebouwing mogelijk te maken. De ontwikkelingsmaatschappij bepaalt het karakter van banken en badkarren en voert strenge controle op het karakter van de gebouwen. Zo moet elke gevel worden voorgelegd en goedgekeurd. De esthetische principes worden gebundeld onder de term ‘Style Duinbergen’: ondermeer het verbod op hoogbouw, eerbied voor de bestaande natuur bij inplanting van een villa, en eerbied voor de traditionele Vlaamse stijl.

Vanaf 1901 ontwerpt architect A. Pirenne de eerste villa's en hotels in Duinbergen. Zijn creaties zijn een belangrijke stap in de integratie van elementen uit de Engelse cottagestijl in de architectuur van de vakantiehuizen. Andere architecten die in de eerste jaren van de 20ste eeuw een belangrijk aandeel van de huizen in Duinbergen verwezenlijken, zijn Jozef Viérin, A. Acke, K. Carbon, M. Marcq, A. Neirynck, J. Callant (vnl. hotelbouw) en J. Smekens (Elsene). Op 25 augustus 1902 huldigt de gouverneur van West-Vlaanderen, Graaf Karel d' Ursel, de nieuwe badplaats plechtig in.

Voor de verdere uitbouw van de badplaats, voorziet de gemeente Heist in 1901 een waterwinningsgebied en watertoren ten zuiden van de Elisabetlaan. In 1903 start de uitbouw van een waterleiding met riolen. Het jaar nadien besluiten de Spoorwegen de lijn van Heist naar Knokke door te trekken, waardoor Duinbergen ook met de trein is te bereiken. De halte ligt ten zuiden van de Duinbergenlaan. In 1905 telt Duinbergen drie hotels en meer dan vijftig villa's, verspreid over het duinengebied. Er zijn ongeveer 3.000 toeristen. De verkavelaar gaat op zoek naar een bidplaats voor de gelovige vakantiegangers. Donat Van Caillie licht de kerkelijke overheid in over zijn plannen om een kapel op te richten in Duinbergen. De Brugse architect Jozef Viérin bouwt aan de Duinbergenlaan een neogotische kapel met een spits torentje.

In 1907 sluit de Société een eerste conventie met de Belgische Staat. Die neemt de dijk, de Duinbergenlaan (toen nog Koninklijke Laan) en een deel van het strand terug. Meteen ontstaat er een verbinding van de zeedijken van Heist en Duinbergen. In ruil zal de Société voortaan de plannen van de gevels voorleggen aan het Ministerie van Openbare Werken. Een tweede conventie moet de integrale uitvoering van het verkavelingplan verzekeren. Tenslotte worden enkele terreinen uitgewisseld voor de aanleg van een park en een tennisveld.

In 1911 wordt de ‘Société de Knocke-Duinbergen-Extension’ opgericht met de bedoeling de duinengronden van Serweytens tussen Duinbergen en Knokke-Bad te verkavelen. De Eerste Wereldoorlog dwarsboomt de uitvoering van de plannen. Pas in 1922 begint een groep Antwerpenaars rond Joseph Nellens, de ‘Société Immobilière Knokke Balnéaire’, met de financiering van het Albertstrand in Knokke. Ze bezorgen de Société een extra stuk grond van drie hectare ten oosten van Duinbergen, om een aansluitend stratenpatroon aan te leggen tussen de bestaande verkaveling van Stübben en de smalle rastervormige straten langs de Zeedijk naar ontwerp van Joseph Nellens.

Omstreeks 1925 worden de gronden ten zuidoosten van de Graaf Jansdijk en het waterwinningsgebied van Heist verkaveld. Morfologisch behoort deze nieuwe villawijk bij het Albertstrand van Knokke. In de Kapellaan van die wijk wil de Parijse eigenaar van de grond een kapel bouwen ter ere van de H. Theresia naar ontwerp van architect Coppieters (Gent). De grondwerken beginnen, zonder de toestemming van de bisschop voor de uitoefening van de eredienst, die uiteindelijk geweigerd wordt. Het werk blijft onvoltooid en tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het materiaal weggehaald door de omwonenden.

In het interbellum gaat de bouw van villa's in Duinbergen in hoog tempo verder. Vanaf dan wordt er een groter spectrum aan stijlen toegepast door de architecten. Naast de nog steeds heel populaire cottagestijl worden de art deco, het modernisme en de hoevestijl vaak gebruikt. Productieve architecten zijn J.R. Van Hoenacker, Gevaert, R. Neirynck, F. Vervalcke en Jozef en Luc Viérin. De gebroeders Viérin ontwerpen in 1939 samen met J. Gunst de parochiekerk H. Familie langs de Elisabetlaan.

In 1946 wordt het duinengebied tussen Duinbergen en Heist aangelegd als het Directeur-Generaal Willemspark, met integratie van de tennisterreinen van 1909-1910. Een tweede gemeentelijk park is het Park 58 dat op het waterwinningsgebied rond de watertoren wordt aangelegd met fondsen van de Wereldtentoonstelling in Brussel van 1958.

Na de Tweede Wereldoorlog verandert het toerisme enorm, wat grote gevolgen heeft op de architectuur in Duinbergen. De authentieke dijkbebouwing uit het begin van de 20ste eeuw wordt vanaf de jaren 1950 vervangen door grootschalige appartementen. In de daaropvolgende decennia moeten ook hotels en villa's in de andere bouwblokken plaats ruimen voor grotere gebouwen. In Duinbergen wordt frequent gekozen voor villa-appartementen. De villa's die in de tweede helft van de 20ste eeuw worden gebouwd, hebben hun exclusief karakter verloren. Er wordt heel vaak gekozen voor een doorsnee stijl gebaseerd op de hoevestijl. Een bijkomend euvel is de volledige witschildering van alle oudere villa's, waardoor de vaak veelkleurige materiaalwerking verloren gaat. Slechts enkele uitzonderingen slagen erin om ondanks de strenge en historiserende normen voor bouwaanvragen van Knokke-Heist, een eigentijdse, kwalitatieve vormgeving te bereiken. Ondanks deze afvlakking van de architectuur en van de structuur van de verkaveling door vrij algemene asfaltering van de lanen en paden, is de sfeer van Duinbergen als tuinbadplaats, vrij goed bewaard.

De ontwikkelde pittoreske stijl in de villa's van de badplaats wordt in de verkaveling van Het Zoute in Knokke (vanaf 1908) gretig overgenomen.

 

Naar hoofdpagina /  Naar OMD 2006

titel_knokke
Halfweg de 19de eeuw telt Knokke 1.200 inwoners, waarvan de meesten leven van de landbouw. Strenge winters, waterellende en een cholera-epidemie teisteren de bevolking. Vanaf 1870 gaat het er weer wat beter en het dorp breidt geleidelijk uit. Omstreeks 1884 komen de eerste toeristen vanuit Heist met ezeltjes langs het strand naar de Knokse vuurtoren. Kunstenaars ontdekken er de ongerepte duinen, die ze weergeven op doek. De stenen vuurtoren wordt in 1872 opgericht op de schepen veilig naar de Schelde te loodsen. In 1882 richt de vuurtorenwachter een houten paviljoen op naar het voorbeeld van het Pavillon du Phare (1877). In 1885 richt bakker Lievens een derde paviljoentje op. In 1889 ruilen ze alle drie plaats voor de bouw van het Grand Hôtel.

Knokke_Verwee-stadhuisEen aantal kunstenaars en hun vrienden hebben meer dan alleen schilderen in hun mars. Het consortium Verwee-Van Bunnen-Dumortier laat architect Jean Baes voor de buurt van wat nu het einde van de Lippenslaan en de Dumortierlaan is een plan met exotische en Moorse invloeden ontwerpen. Het eerste verkoopkantoor dateert van 1888. Het plan wordt nooit uitgevoerd. Er komt wel een verkaveling in een dambordpatroon.

 

Knokke_BaudouinHet Grand Hôtel Prins Baudouin, oorspronkelijk een molenaarswoning, wordt in 1899 uitgebreid met één verdieping en een zadeldak. Het wordt het kunstenaarsverblijf bij uitstek. Het is de pleisterplaats voor de Cercles des Artistes van Albert Verwee, Paul Parmentier, Theo van Rysselberghe… In 1900 worden de fundamenten van het hotel verstevigd en komt er een tweede verdieping bij. In een periode van tien jaar verschijnen langs de Zeeweg (nu Lippenslaan) - die de verbinding maakt van het “oude” Knokke met de woningen in de duinen – meer en meer huizen, villa’s en hotel in Belle Epoque-stijl. Hier en daar staat nu nog een stille getuige. Voor het neogotische stadhuis uit 1911 inspireert bouwmeester Jules Wassenhove zich op het gemeentehuis van Maldegem.

 

Naar hoofdpagina /  Naar OMD 2006