>Sincfala Museum van de Zwinstreek
Sincfala,
Museum van de Zwinstreek

 

Een skeletvondst in Loppem

In 2006 werden bij kleine werken aan een hoeve in de Rijselsestraat te Loppem delen van een skelet teruggevonden. Via de politie en het parket kwamen de beenderresten terecht bij fysisch antropoloog Marit Vandenbruaene (VIOE).

Het gaat om een onvolledig skelet dat op basis van typische geslachtskenmerken aan het bekken (smal en kleine ingang) en de schedelresten (prominente wenkbrauwbogen, hoekig kaaksbeen) als een man kan worden herkend. De sterfteleeftijd ligt rond 27 jaar. Zowel de beenderen als het gebit zijn volgroeid. De lichaamslengte ligt rond 1,66m. Hij was normaal stevig gebouwd.

Op het rechtersleutelbeen is een letsel aanwezig dat verwijst naar chronische overbelasting van de schouderligamenten. Het volwassen gebit vertoont reeds hevige slijtagesporen en serieuze cariës, de rechterbovenkaak bevat drie grote kaakbotabcessen met daarbij bijna weggerotte tanden. Er zijn ook sporen te zien van groeistoornissen aan het tandglazuur, die verwijzen naar stress en ziekte in de kinderjaren.

skelet

Op basis van oude breuken, botverkleuringen en verwerkingsprocessen op het skelet en van een gebitstoestand die verwijst naar een vreselijk slechte mondhygiëne, gecombineerd met de nabijheid van een oude site, wordt het skelet als een archeologische vondst (in tegenstelling tot een gerechtelijke vondst) bekeken. Er zijn ook sporen aanwezig van plantenwortels die zich hebben vastgezet aan het bot. De bruine verkleuring van de beenderen is ontstaan door de begraving in natte grond.

Voor meer informatie zou de vindplaats archeologisch onderzocht moeten worden. Het gaat hier echter om een toevalsvondst, waarbij geen archeologen aanwezig waren.

Grafmonumenten uit Westkapelle (16de eeuw), Torhout,  Ramskapelle (19de eeuw) en Knokke (20ste eeuw)

Men kan veronderstellen dat de mens doorheen de geschiedenis de plaats van een graf heeft aangeduid met één of ander grafmonument. Slechts vanaf de late of post-middeleeuwen zijn dergelijke grafplaten of –zerken bewaard. Dankzij deze monumenten is de overledene niet langer een anonieme persoon.

Uit 16de eeuw dateert een grafplaat in Doornikse kalksteen, die in de kerk van Westkapelle is ingemetseld in de noordwestelijke torenpijler. De oorspronkelijke ligging is onbekend. Het is een mooi voorbeeld van een Renaissance-grafzerk, één van de best bewaarde in de regio.

 

post-middeleeuwen-westkapelle

Grafsteen ingewerkt in een binnenmuur van de kerk van Westkapelle (Foto Sincfala).

In Ramskapelle zijn binnen een ommuurd en beboomd kerkhof verschillende grafstenen en smeedijzeren kruisen bewaard uit de periode eind 19de eeuw/ begin 20ste eeuw.

 

post-middeleeuwen-ramskapelle

Het kerkhof van Ramskapelle (foto Raakvlak).

Het oude kerkhof van Torhout telt heel wat grafstenen en smeedijzeren kruisen, waarvan de oudste grafzerk terug gaat tot 1835. Vooral in de middengang zijn heel wat imposante vroege grafstenen bewaard.

 

post-middeleeuwen-torhout

Het oude kerkhof van Torhout (foto Raakvlak).

post-middeleeuwen-knokke

De oude Sint-Helena begraafplaats in Knokke (foto: Sincfala)

Verdwenen kerk en kerkhof van Koudekerke

Op het einde van de 12de of het begin van de 13de eeuw werd de parochie Koudekerke gesticht. Tijdens deze periode werd een bestaande kapel verheven tot een parochiekerk. De kerk werd in de daaropvolgende eeuwen tot een driebeukig gebouw uitgebouwd. Na de verwoesting in de godsdiensttroebelen behield men alleen de middenbeuk. Op het einde van de 19de eeuw werd de kerk afgebroken. Slechts het kerkhof van Koudekerke (later Heist) bleef over en werd op het einde van de 20ste eeuw ontruimd en overgeplaatst naar Knokke.

Naar aanleiding van de plannen voor de herinrichting van het gebied tussen Heistlaan, Koudekerkestraat, Scheurleg en Noordhinder deed Raakvlak eind augustus 2009 archeologisch proefonderzoek, met de bedoeling na te gaan wat er nog van de oorspronkelijke kerk en kerkhof in de bodem was bewaard gebleven. Er kon worden vastgesteld dat het kerkhof vrij grondig ontruimd was en dat er nog sporen van de middeleeuwse kerk aanwezig waren. Een opgraving is onvermijdelijk.


Late middeleeuwen  |  Terug naar Overzicht

 

Beschilderde grafkelders in Brugge

brugge-grafkelder

Terreinopname van een met een wierookvat zwaaiende engel geschilderd op de zijwand van een grafkelder aangetroffen bij rioleringswerken rond de OLV-Kerk in Brugge (foto Raakvlak).

De wegenis- en rioleringswerken rond de Brugse OLV-kerk eind 2008 – begin 2009, werden door Raakvlak vanaf de start van nabij gevolgd. In de eerste plaats vormden deze werken een ideale gelegenheid om inzicht te krijgen in de natuurlijke opbouw van de bodem rond de kerk en in de omgeving van de Dijver. Bovendien liepen de geplande werken dwars door het oude kerkhof van de OLV-kerk. Dit kerkhof was in gebruik van de 9de tot wellicht de 17de eeuw. Het is dan ook niet verwonderlijk dat tijdens de werken veel skeletmateriaal werd aangetroffen. Door de jaren heen zijn er op een beperkte ruimte continu nieuwe lichamen begraven. De site vormt een kluwen van menselijke beenderen, die slechts uitzonderlijk als een volledig skelet kunnen herkend worden.

Bij de aanleg van de nieuwe rioleringen werden ook enkele grafkelders aangesneden waarvan een aantal met wandbeschildering. De aangetroffen grafkelders dateren uit de 14de eeuw en zijn vermoedelijk aangelegd voor eerder hooggeplaatste personen. In het verleden zijn reeds dergelijke beschilderde grafkelders in Brugge aangetroffen.

brugge-grafkelder

Terreinopname van een met een wierookvat zwaaiende engel geschilderd op de zijwand van een grafkelder aangetroffen bij rioleringswerken rond de OLV-Kerk in Brugge (foto Raakvlak).

Eén graf lag net in het midden van de sleuf. Het hoofdeinde was reeds vroeger vernield en slechts enkele van de dekstenen bevonden zich nog op hun originele plaats. Het graf zelf was opgevuld met aarde en verplaatste skeletfragmenten. Met een fijne lijntekening waren op de grafwanden een aantal figuren afgebeeld. Op het voeteinde stond een gekroonde Madonna gezeten op een bank tussen twee kandelaars met brandende kaarsen met het kindje Jezus op de ene arm en een bos bloemen in de andere hand. De beide lange zijden van het graf waren voorzien van een met een wierookvat zwaaiende engel, beide gekeerd naar de Madonna op het voeteinde. Aan weerszijde van de engel stonden twee grote leliekruisen. Tussen de verschillende figuren waren ter opvulling rode bloemetjes aangebracht.

 

De decoraties werden gefotografeerd en ingetekend. Omdat de kwaliteit van de beschildering van de ene grafkelder zo goed was, werd beslist om een deel van de zijwand met engel en het voeteinde van de grafkelder uit te zagen om ze dan uit het graf te lichten. De stukken zijn daarna gestabiliseerd en gerestaureerd om in de toekomst in één van de Brugse musea tentoongesteld te kunnen worden.

Laatmiddeleeuwse grafkelder rondom de OLV-kerk in Damme

In 1999 werden bij graafwerken aan de OLV-Kerk in Damme een aantal grafkelders aangesneden. Het onderzoek gebeurde door het toenmalige IAP. In een eerste fase kwamen bij rioleringswerken ten noorden en noordwesten van de kerk verscheidene bakstenen grafkelders aan het licht. Vervolgens werden ook een aantal grafkelders aangetroffen bij graafwerken binnen de oorspronkelijke kerk.

 

damme-grafkelders damme-grafkelders
damme-grafkelders damme-grafkelders

Terreinopname van het onderzoek in de OLV-Kerk in Damme waarbij verschillende grafkelders werden aangetroffen (foto Jacques De Groote).

Enkele grafkelders die zich in de vroegere kerk bevonden, vertonen een rijke versiering, uitgevoerd in blauwe en rode beschildering. Eén graf was beschilderd met maar liefst tien personages, waaronder Maria met het kind Jezus, de gekruiste Christus, twee kleine engelen en verschillende heiligenfiguren, waaronder Johannes, Petrus en Paulus.

Een ander graf vertoont, naast de traditionele personages, de opmerkelijke figuur van de heilige Elooi, in bisschopsgewaad met een sierlijke bisschopsstaf en zijn attribuut, de hamer.

 

damme-grafkelders damme-grafkelders

Terreinopname van een Maria met het kind Jezus geschilderd op de zijwand van een grafkelder aangetroffen in de OLV-Kerk in Damme (foto Jacques De Groote).

Terreinopname van de opmerkelijke figuur van de heilige Elooi, in bisschopsgewaad met een sierlijke bisschopsstaf en zijn attribuut, de hamer, geschilderd op de wand van een grafkelder aangetroffen in de OLV-kerk in Damme (foto Jacques De Groote)

Een middeleeuws kerkhof onder ’t Pandereitje in Brugge

Naar aanleiding van de graafwerken voor de bouw van een ondergrondse parkeergarage op de terreinen van de voormalige gevangenis ‘t Pandreitje, werd door de Brugse Archeologische Dienst, tijdens het voorjaar van 2000, belangrijk archeologisch onderzoek verricht.

Aanvankelijk brachten de graafwerken enkel de resten van de funderingen en kelders van de 19de-eeuwse gevangenis aan het licht. Het feit dat de noordoostelijke hoek sedert de tweede helft van de 15de eeuw telkens een gebouw met een binnenplein herbergde zal de vrij goede bewaring van het bodemarchief mee bepaald hebben.

Bij het mechanisch afgraven van de bovenlagen kwamen op deze plaats menselijke begravingen aan het licht, waarvan er in totaal een kleine 250 konden worden gelokaliseerd. Het betreft overwegend eenvoudige rechthoekige kuilen, hoewel ook een tiental bakstenen grafkelders aanwezig waren. In de meeste gevallen werden sporen van houten kisten waargenomen, vaak ook resten van eenvoudig beslag. In een aantal gevallen rustte het hoofd op een laagje stro.

 

brugge-pandreitje brugge-pandreitje

Terreinopname van het middeleeuws kerkhof aangetroffen onder ’t Pandreitje in Brugge (foto Raakvlak).

De skeletresten waren vrij goed bewaard. Slechts één van de graven vertoonde bijgiften: een kelk en een pateen (een hostiebordje) uit tin. Vermoedelijk gaat het hier om het graf van een priester. In heel wat gevallen werd bij het graven van een nieuw graf een vroegere bijzetting verstoord.

Een eerste kijk op de skeletten leert ons dat er vooral mannen, maar toch ook enkele vrouwen en kinderen aanwezig zijn. Verder onderzoek door fysisch antropologen zal moeten uitmaken hoe de juiste verhoudingen liggen en wat hieruit kan worden afgeleid.

Wat de datering betreft, lijken zowel de historische bronnen, als het baksteenformaat en de aardewerkfragmenten die sporadisch in de graven werden aangetroffen, naar de 14de eeuw te verwijzen.

De aangetroffen kerkhofresten zijn in verband te brengen met het Franciscanenklooster (beter bekend als het klooster van de minderbroeders of de freren) dat sedert 1246 op de Braamberg gevestigd was. De resten van dit klooster zijn te situeren in het nabijgelegen Astridpark.

 

Vroege middeleeuwen   |  Overzicht  |  Post-middeleeuwen

 

Een vroegmiddeleeuwse gordelgarnituur uit Sint-Andries

Bij de opgravingen die Raakvlak in 2008 achter het WZC Fabiola in Sint-Andries/Brugge uitvoerde, kwamen heel wat sporen uit de vroege middeleeuwen aan het licht. Het ging om kuilen, karrensporen, greppels en resten van gebouwen. Ze horen bij de vroegmiddeleeuwse nederzetting die zich hier, in de omgeving van de Zandstraat, bevond.

In een kuil kwamen een aantal zwaar gecorrodeerde metalen voorwerpen aan het licht, die voor verdere behandeling aan de metaalrestaurator van de Archeologische Dienst Waasland (ADW) werden overgemaakt. De algemene contouren van het ensemble verraadden de aanwezigheid van een scramasax (eensnedig zwaard) en minstens twee onderdelen van een gordelgarnituur uit de Merovingische tijd (5de - 8ste eeuw).

 

gordelgarnituur gordelgarnituur gordelgarnituur

Een vroegmiddeleeuwse gordelgarnituur: vóór conservatie, een röntgenopname, na verwijdering van de corrosie (tussenfase) en het eindresultaat (figuur op basis van foto’s ADW).

Een vroegmiddeleeuwse gordelgarnituur en bijhorende scramasax.

Een vroegmiddeleeuwse scramasax: vóór conservatie, een röntgenopname en het eindresultaat (figuur op basis van foto’s ADW).

De eerste resultaten van de vrijlegging onthulden een ijzeren gordelgarnituur die voorzien is van inlegwerk uit zilver en goud. De vorm en de versieringstechniek laten een datering in de eerste helft van de 7de eeuw vermoeden.

Op de onderdelen van de gordelgarnituur (die zich oorspronkelijk vermoedelijk op het lichaam van de dode bevonden), werden naast textielresten ook talrijke gemineraliseerde larvenresten teruggevonden en zelfs een vlieg. Deze vaststelling staat duidelijk in verband met het ontbindingsproces van de dode.

 

gordelgarnituur gordelgarnituur gordelgarnituur

Tijdens de conservatie werden resten van leer (1) en textiel (2) op de gesp aangetroffen (figuur op basis van foto’s ADW).

Op de onderdelen van de gordelgarnituur (die zich oorspronkelijk op het lichaam van de dode bevonden), werden talrijke gemineraliseerde larvenresten teruggevonden en zelfs een vlieg (figuur op basis van foto’s ADW).

Tijdens de conservatie werden resten van textiel (1) en hout (2) op een beslagplaatje van de gordel aangetroffen (figuur op basis van foto’s ADW).

De volledige bewaring van deze uitzonderlijke voorwerpen en de organische resten (textiel, leder, larven) die erop zijn aangetroffen, verwijzen zeker naar de oorspronkelijke herkomst uit een grafcontext. Bij de opgravingen werden echter geen sporen van een begraving aangetroffen. Het zou kunnen dat de stukken elders uit een graf zijn opgegraven en later in een kuil op de bewoningssite achter het WZC Fabiola zijn bijgezet. Het is niet ondenkbaar dat er aan deze bijzondere bijzetting een rituele betekenis gekoppeld is.

Merovingische begraafplaatsen zijn in de omgeving niet bekend, maar moeten er ongetwijfeld wel geweest zijn. In tegenstelling tot de Romeinse tijd, waar elke (kleine) nederzetting een eigen grafveld had, ging het waarschijnlijk om grote centrale grafvelden. Het dichtstbijzijnde gekende grafveld bevindt zich te Emelgem.

Lijkbegravingen uit de vroege middeleeuwen in Varsenare (schijngraven)

Bij het onderzoek door het toenmalige IAP van een te verkavelen terrein in Varsenare kwamen naast nederzettingssporen een vijftal structuren aan het licht die enig licht werpen op het begrafenisritueel in de vroege middeleeuwen. De vijf sporen hebben een rechthoekig grondplan. Hun lengte schommelt tussen 1,8 en 2,4m; de breedte varieert tussen 0,5 en 0,8m.

In drie van de structuren werden sporen gevonden van een houten bekisting. Slechts bij één van de structuren kwamen er sporen van een menselijk skelet aan het licht. De skeletresten waren enkel nog zichtbaar als een silhouet in het zand; het hoofd naar het noorden en de handen gevouwen op het bekken. Grafgiften ontbraken volledig, wat op een datering na het einde van de 7de eeuw kan wijzen.

 

varsenare-schijngraven varsenare-schijngraven

Terreinopname van de langwerpige structuren die wellicht als inhumatiegraven kunnen geïnterpreteerd worden, op de site D’Hoge Noene in Varsenare (foto Y. Hollevoet).

Terreinopname van een inhumatiegraf op de site D’Hoge Noene in Varsenare waarbij de skeletresten enkel nog zichtbaar zijn als een silhouet in het zand (foto Y. Hollevoet).

Opmerkelijk is dat de vermoedelijke graven zich in de nederzetting bevinden, terwijl algemeen verondersteld wordt dat de vroegmiddeleeuwse grafvelden zich doorgaans op een zekere afstand van de nederzetting zelf bevonden.

Het geheel roept heel wat vragen op. Zo valt op dat slechts één graf duidelijke resten van inhumatie bevatte. Als enige was dit graf noord-zuid gericht, een oriëntatie waarvan vaak verondersteld wordt dat deze teruggaat op heidense praktijken. Hebben we hier te maken met het graf van de stamvader – de stichter – van de nederzetting?

De overige rechthoekige structuren hebben een andere oriëntatie en in geen van deze werd menselijk botmateriaal opgemerkt; toch waren er steeds sporen van houten bekisting zichtbaar.

Misschien zijn de doden elders effectief begraven, mogelijk in gewijde grond, nabij een primitieve kerk of kapel. Kan het zijn dat men het toch nog nodig achtte de traditionele gebruiken niet helemaal te verwaarlozen door schijnbegravingen te organiseren in de nabijheid van het graf van de stamvader?

Mogelijk is het geheel in verband te brengen met een toenemende Christianisatie in de regio. De eerste aanwijzingen voor deze kerstening zouden immers teruggaan tot in de 7de eeuw, met Torhout als belangrijk steunpunt.

 

Romeinse tijd  |  Overzicht  |  Late middeleeuwen


Een Romeins grafveld aan de Keersluis in Beernem

In augustus 1995 werden de afgravingswerken naar aanleiding van de bouw van een keersluis ten noorden van het Beernemse gehucht Gevaerts door het IAP opgevolgd. Bij deze werken kwamen heel wat Romeinse sporen uit de 1ste – 2de eeuw na Chr. aan het licht. De resten van zeker twee nederzettingskernen, met vlakbij ook de sporen van twee crematiegraven van het type van de zgn. brandrestengraven, werden aangesneden.

Van het ene graf was de vermoedelijke grafkuil nagenoeg volledig weggegraven en ook de bijgiften in de nis had men grotendeels “opgeruimd”. Toch viel nog uit te maken dat de nis twee grafgiften naast elkaar moet hebben bevat, een pot voor het voedsel en een beker voor de drank.

 

beernem-verbreding-kanaal beernem-verbreding-kanaal beernem-verbreding-kanaal

Luchtfoto van de afgravingswerken naar aanleiding van de bouw van een keersluis ten noorden van het Beernemse gehucht Gevaerts (foto J. Semey, Vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa, UGent).

Terreinopname van het Romeins grafveld aangetroffen bij de afgravingswerken naar aanleiding van de bouw van een keersluis ten noorden van het Beernemse gehucht Gevaerts (foto Y. Hollevoet).

Terreinopname van een Romeins brandrestengraf gevonden bij de afgravingswerken naar aanleiding van de bouw van een keersluis ten noorden van het Beernemse gehucht Gevaerts (foto Y. Hollevoet).


 

pot-met-betertje

Van het tweede graf was de structuur nog vrij goed bewaard: een min of meer rechthoekige kuil gevuld met houtskoolresten en uiterst gefragmenteerd verbrand been. Naast de grafkuil had men in een nis een pot in gewoon lokaal aardewerk meegegeven als grafgift; deze bevatte de resten van een bekertje.

Romeins grafveld in Brugge

Naar aanleiding van graafwerken voor een nieuwbouw voerde de Brugse Archeologische Dienst in 2000 een beperkte opgraving uit nabij de Expresweg in Sint-Andries.

Het oudste aangetroffen spoor is een geheel van drie concentrische grachten dat dateert uit de bronstijd of het laat-neolithicum (rond 2000 v. Chr.).

 

sint-andries-expresweg

Luchtfoto van de site Expressweg in Sint-Andries met meervoudig circulair monument uit de bronstijd (rood) en een Romeins grafveldje (groen) (foto 150725, J. Semey, Vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa, UGent).

Tijdens de Romeinse periode was deze structuur wellicht nog zichtbaar en werd het terrein opnieuw als begraafplaats gebruikt. Een twintigtal zgn. brandrestengraven, crematiegraven waarbij de brandstapelresten en het verbrand menselijk bot door elkaar zijn gedeponeerd in de grafkuil, werd aangetroffen (late 2de – eerste helft 3de eeuw na Chr.). Soms waren de grafkuilen voorzien van een kleine nis met grafgiften. Te vermelden is de aanwezigheid van talrijke glaskraaltjes, die wellicht ooit een halsketting vormden.

 

sint-andries-expresweg sint-andries-expresweg

Coupe van een brandrestengraf aangetroffen op de site Expressweg in Sint-Andries (foto Raakvlak).

Terreinopname van een brandrestengraf waarbij in de grafkuil een pot als grafgift was meegegeven zoals aangetroffen op de site Expressweg in Sint-Andries (foto Raakvlak).

Eén graf viel op door het voorkomen van een monumentale rechthoekige palenzetting en de mogelijke sporen van een zgn. dodenhuisje.

tt-raakvlak tt-raakvlak

Reconstructie van de site Expresweg, met weergave van het Romeins grafveld, aangelegd vlakbij de nog zichtbare resten van een oudere grafheuvel (maquette Y. Hollevoet).

vondsten-expressweg-brugge

Vondsten uit Romeinse brandrestengraven afkomstig uit de opgraving Expresweg in 2000 te Brugge. Datering vondsten: eind 2de- 1ste helft 3de eeuw na Chr.

Romeinse brandrestengraven in Jabbeke

Tijdens de periode 2006-2008 werd door Raakvlak aan de Hoge Dijken in Jabbeke een grafveld uit de Romeinse tijd (late 2de – eerste helft 3de eeuw) met bijhorende nederzettingssporen opgegraven. Het Jabbeekse grafveld bestaat uit een veertigtal zgn. brandrestengraven. Dit type crematiegraven wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een houtskoolrijke lens met brandstapelresten waaronder verbrand menselijk been en fragmenten van objecten die op of naast de brandstapel hebben gestaan; deze laatste zijn doorgaans zwaar secundair verbrand.

 

jabbeke-hoge-dijken

Terreinopname van een brandrestengraf waarbij in de grafkuil een pot als grafgift was meegegeven zoals aangetroffen op de site Hoge Dijken in Jabbeke (foto Raakvlak).

Behalve twee min of meer rechthoekige grafmonumenten, waarbinnen enkele graven gesitueerd zijn, komen de overige graven in clusters voor. Kenmerkend voor heel wat Jabbeekse graven is de aanwezigheid van een nis naast de grafkuil, waarin grafgiften zijn meegegeven.

Bij het opwerpen van de brandstapel is vooral gebruik gemaakt van eikenhout, zoals blijkt uit het onderzoek van de houtskoolresten afkomstig uit de grafkuilen, maar ook van stro of hooi, mogelijk aangevuld met maaisel van bermen of plaatsen met wildgroei, wat valt af te leiden uit het onderzoek van de zaden en vruchten. De aanwezigheid van schoeiselspijkers wijst er op dat de dode gekleed werd bijgezet op de brandstapel.

Alle crematies zijn uitstekend uitgevoerd met hoge verbrandingsgraden en hoge temperaturen. Twee derden van de graven omvat de resten van (jong) volwassenen, waarvan vijf mannelijke individuen konden worden aangetoond. De bijgezette verbrande menselijke resten zijn evenwel niet representatief voor een volledig menselijk lichaam. Beperkte men zich tot een zo representatief mogelijk deel van de verbrande menselijke resten, waardoor het eerder om een ‘symbolische’ begraving ging?

Het kleine aantal graven, aangelegd over een tijdspanne van ongeveer vijftig jaar, wijst op een beperkte gemeenschap van slechts een tweetal generaties. De bijhorende bewoningssporen werden nauwelijks aangesneden. De gebouwplattegrond die werd aangetroffen, kan immers slechts als een bijgebouw aanzien worden en was vermoedelijk slechts in de periferie van het bewoningsareaal gesitueerd. Waar de kern van de nederzetting gelegen was, blijft een vraag.

In de Jabbeekse brandrestengraven werden enkele voorwerpen aangetroffen, waarvan we vrijwel zeker zijn dat ze een rituele betekenis hadden, meer bepaald de munt, als betalingsmiddel voor de veerman Charon en wellicht ook hulst, als eeuwig groene plant. Verder bemerken we de aanwezigheid van voorwerpen met ongetwijfeld een rituele achtergrond, bijvoorbeeld twee scheermessen.

In het begrafenisritueel kunnen verschillende fasen worden onderscheiden waarin voedsel een belangrijke rol speelde: de offers aan de goden, de bijgaven aan de overledenen om hun reis naar het hiernamaals aangenamer te maken en het dodenmaal. De onverbrande vondsten in de grafnissen kunnen vermoedelijk beschouwd worden als de oorspronkelijk met voedsel gevulde recipiënten voor de dode tijdens zijn/haar reis naar het hiernamaals. De op de brandstapel geplaatste en vaak sterk vervormde potten kunnen wellicht geïnterpreteerd worden als offers voor de goden; spijs en drank werden met de dode mee verbrand. Resten van het dodenmaal, de maaltijd die genuttigd werd tijdens de begrafenis of ter gelegenheid van de herdenkingsmaaltijden, zijn wellicht eveneens aanwezig, maar moeilijker te herkennen.

Een Romeins grafveld uit de late 1ste/2de eeuw in Sijsele

Ten oosten van de Stoofweg in Sijsele werd in 1997, bij de aanleg van een nieuwe gaspijpleiding door Fluxys, een klein Romeins grafveld aangesneden. De graven zijn allemaal van het type van de zgn. brandrestengraven: rechthoekige kuilen met brandstapelresten en soms grafgiften in een kleine nis naast de grafkuil. In een paar gevallen moeten de graven omringd zijn geweest door rechthoekige funeraire greppelcomplexen.

 

sijsele-grafkuil sijsele-stoofweg sijsele-stoofweg

Terreinopname van de nis van een brandrestengraf waarin naast ceramiek ook een scheermes werd aangetroffen (foto VIOE).

Terreinopname van het onderzoek van een Romeins grafveld met verschillende brandrestengraven, ten oosten van de Stoofweg in Sijsele (foto VIOE).

Terreinopname van het onderzoek van een brandrestengraf met nis ten oosten van de Stoofweg in Sijsele (foto VIOE).

Het merendeel van de keramiek is niet verbrand en bevindt zich in kleine nissen bij de grafkuilen. Het gaat vooral om drinkbekers die imitaties zijn van zgn. terra nigra of geverfd aardewerk. In enkele gevallen werden in de grafkuilen zelf bijna volledige handgevormde kookpotten aangetroffen. Opmerkelijk is de vondst van ijzeren scheermessen in twee nissen.

Uit het onderzoek van de houtskoolresten blijkt dat eik en els het best vertegenwoordigd zijn in de aanwezige houtskoolresten. Verder komen ook nog berk, beuk en haagbeuk voor.

 

Late ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd  |  Overzicht  |  Vroege middeleeuwen

 

Moereveld in Torhout

aardewerk-moerehoutNabij het Moereveld in Torhout kwamen bij zandwinningswerken onder andere twee potjes in handgevormd aardewerk aan het licht. Ze kunnen gedateerd worden in de late ijzertijd of de vroeg-Romeinse periode (omstreeks de eeuwwisseling). Vermoedelijk zijn ze in verband te brengen met de aanwezigheid van crematiegraven.
(Bruikleen Museum Torhouts Aardewerk, Torhout, inv. nrs. TA 2007.07, 2007.8 en 2007.9).

 

 

 

 

 

 

Late bronstijd en vroege ijzertijd  |  Overzicht  |  Romeinse tijd